ECLI:NL:PHR:2006:AU8323
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid ontslag op staande voet wegens verduistering en schending geheimhoudingsplicht
De werknemer was sinds 1983 in dienst bij de werkgever en werd ontslagen op staande voet nadat middels videobewaking was vastgesteld dat hij en zijn echtgenote buiten werktijd goederen uit het bedrijf hadden meegenomen. De werkgever stelde dat dit verduistering betrof en dat de werknemer tevens de geheimhoudingsplicht had geschonden door de toegangscode en sleutel aan zijn echtgenote te verstrekken.
De werknemer betwistte het ontslag en vorderde doorbetaling van salaris, terwijl de werkgever schadevergoeding eiste. Zowel de kantonrechter als het hof oordeelden dat de verduistering niet voldoende was bewezen en wezen de vordering van de werknemer toe en die van de werkgever af. In cassatie klaagde de werknemer dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan de rol van zijn echtgenote en dat het onderzoek zich te beperkt had toegespitst op opzet.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht alleen het gedrag van de werknemer heeft betrokken, aangezien er geen relevante stellingen waren over de specifieke betrokkenheid van de echtgenote. Ook was het onderzoek beperkt tot de vraag of de verduistering met opzet was gepleegd, wat passend was binnen de rechtsstrijd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en het ontslag op staande voet wordt bevestigd.