ECLI:NL:PHR:2006:AU8894

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00410/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste strafmotivering over eerdere Opiumwetveroordeling

In deze strafzaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met verboden van de Opiumwet en diefstal, met een gevangenisstraf van zes maanden.

Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld met het middel dat het hof geen toereikende strafmotivering had gegeven, omdat het hof een eerdere veroordeling wegens een Opiumwetdelict had betrokken die feitelijk niet bestond. Uit het Justitieel Documentatieregister bleek immers dat verdachte voor dat specifieke delict was vrijgesproken.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde aanvullend dat het middel terecht was voorgesteld en dat de verwijzing naar de vermeende eerdere veroordeling zodanig wezenlijk was dat vernietiging van het arrest onontkoombaar was.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende gemotiveerd had en dat de strafmotivering onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd gegrond verklaard en het arrest vernietigd. Daarnaast faalde een ander middel over de strafmotivering, dat met korte motivering werd verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd wegens een onjuiste strafmotivering over een vermeende eerdere Opiumwetveroordeling.

Conclusie

Griffienr. 00410/05
Mr. Wortel
Zitting:17 januari 2006
Aanvullende conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Ter zitting van 20 december jongstleden concludeerde ik in de hierboven aangeduide strafzaak, maar ik werd er op gewezen dat ik een middelonderdeel over het hoofd heb gezien.
2. Dat is de klacht dat de strafmotivering mede ontoereikend is omdat het Hof een omstandigheid in aanmerking heeft genomen die zich in werkelijkheid niet heeft voorgedaan.
3. Gedoeld wordt op de overweging dat verzoeker blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister
"eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder eenmaal ter zake van overtreding van de Opiumwet, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen"
terwijl het bij de stukken gevoegde uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister geen melding maakt van een eerdere overtreding ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet.
4. Dit middelonderdeel is terecht voorgesteld. In het uittreksel is weliswaar een lijvige aantekening opgenomen van een zaak waarin verzoeker ter zake van diverse delicten is veroordeeld, maar de laatste regel van die aantekening houdt in dat hij is vrijgesproken van het (enige) Opiumwetdelict dat in deze zaak aan de orde was.
5. In het geheel van 's Hofs straftoemetingsoverwegingen lijkt mij de verwijzing naar de eerdere veroordeling ter zake van de Opiumwet zó wezenlijk dat vernietiging van de bestreden uitspraak onontkoombaar is.
6. Daartoe strekt deze aanvullende conclusie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Mr. Wortel
Griffienr. 00410/05
Zitting: 20 december 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) " opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod" , (2) " opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en (3) "diefstal" is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat art. 359, zevende lid (OUD) Sv is geschonden doordat het Hof geen toereikende motivering heeft gegeven voor een straf die de eis van het Openbaar Ministerie (neerkomend op dezelfde straf als in eerste aanleg was bepaald) verre overtreft.
4. Door de eis van de advocaat-generaal weer te geven, en vervolgens te overwegen dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de door het Hof bepaalde duur een passende sanctie vormt heeft het Hof - in aanmerking genomen dat het nader uiteen heeft gezet waarom het tot dit oordeel is gekomen - genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat het zich rekenschap heeft gegeven van de eis van de advocaat-generaal, en dat het heeft vastgesteld dat die gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde, zodat daarmee niet kan worden volstaan. Aan het voorschrift van art. 359, zevende lid, Sv is voldaan, vgl. HR 8 mei 1990, griffienr. 86.939, LJN ZC8527, HR 15 april 1997, griffienr. 104.584, LJN ZC 9545 en HR 25 januari 2005, griffienr. 01374/04.
5. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden