AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling wegens meervoudige verkrachting van verstandelijk gehandicapte vrouw
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige verkrachting van een verstandelijk gehandicapte vrouw. De feiten speelden zich af tussen november 2002 en maart 2003 in Enschede, waarbij de verdachte het slachtoffer dwong tot seksuele handelingen door gebruik van geweld en geestelijk overwicht.
Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, de verdachte, getuigen en deskundigen die het verstandelijk functioneren van het slachtoffer bevestigden. Het slachtoffer verklaarde onder meer dat zij tegen haar wil werd gedwongen tot seksuele handelingen en dat zij bang was. De verdachte ontkende het gebruik van geweld, maar gaf toe seksuele handelingen te hebben verricht.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd. Het hof had voldoende onderbouwd waarom het geweld en het misbruik van geestelijk overwicht bewezen waren. Kleine onjuistheden in de bewezenverklaring deden niet af aan de ernst en aard van het bewezenverklaarde. Het beroep werd verworpen en het vonnis bleef in stand.
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Namens de verdachte heeft mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 31 maart 2003 te Enschede door geweld en andere feitelijkheden [het slachtoffer] (geboren in 1981) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn vinger in haar vagina gebracht en/of zijn penis in haar vagina gebracht en/of zijn penis in haar mond gebracht en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid hierin dat verdachte [het slachtoffer] op bed heeft geduwd en niet voldaan heeft aan het verzoek van [het slachtoffer] om te stoppen en gebruik heeft gemaakt van het geestelijk overwicht dat hij op de (verstandelijk gehandicapte) [slachtoffer] had en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan."
5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 30 september 2004, voorzover inhoudende:
In de periode van 1 november 2002 tot en met 31 maart 2003 heb ik op een camping of caravanpark in [plaats], gemeente Enschede, seksueel contact gehad met [het slachtoffer] in die zin dat [het slachtoffer] mij in de caravan een paar keer heeft gepijpt. [Het slachtoffer] en ik woonden allebei in een caravan op dat park. Zij woonde daar in de caravan bij haar ouders.
2. een proces-verbaal, mutatienr. PL0500/03-080571, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie Twente (dossierpagina 52 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik was alleen met [het slachtoffer] in de caravan. Op een gegeven moment boog [het slachtoffer] voorover waardoor ik in haar trui kon kijken en een gedeelte van haar borsten zag. Ik heb haar aan haar borsten gevoeld en onder haar trui. We hebben toen zitten dollen en ouwehoeren, waarna [het slachtoffer] mij gepijpt heeft. Ik moet nog verklaren dat ik [het slachtoffer] ook nog eerst gevingerd heb. [Het slachtoffer] is 21 jaar, maar geestelijk gezien is ze geen 21 jaar.
3. een proces-verbaal, mutatienr. PL0500/03-080571, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Twente (dossierpagina 22 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1981:
Rond de jaarwisseling 2002/2003 was ik in het huis van [verdachte] aan het strijken. [Verdachte] duwde mij op bed. Hij zei tegen mij dat hij mij ging neuken. Ik werd heel bang. [Verdachte] zei dat ik mij uit moest kleden. Ik zei dat ik dat niet deed. Hij zei dat ik het toch moest doen. [Verdachte] is toen met zijn penis in mijn vagina gegaan. [Verdachte] kwam toen klaar.
De tweede keer was in het huis van een ander. In dat huis stond een keuken die mijn vader voor ons huis gekocht had. Ik zou samen met [verdachte] de keuken eruit gaan halen. Toen ik daar naar de badkamer ging om de verwarming uit te zetten, kwam [verdachte] achter mij aan, deed mijn broek los en begon mij te vingeren. Hij ging met één vinger in mijn vagina.
Op een gegeven moment zat ik in dat andere huis op de WC. [Verdachte] kwam de badkamer in. [Verdachte] kleedde zich uit en ik moest mijn broek uitdoen. Hij zei dat ik rustig moest blijven. Ik wilde wel schreeuwen, maar durfde niet. Hij kwam achter mij staan en drukte mijn hoofd naar beneden. Ik kwam toen gebukt te staan. Hij deed toen zijn penis in mijn vagina. Dat deed zeer.
4. een proces-verbaal, mutatienr. PL0 500/03-080571, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Twente (dossierpagina 31 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1981:
Ik weet nog dat [verdachte] mijn hoofd pakte en zijn piemel in mijn mond drukte. Dat gebeurde in een caravan.
5. een proces-verbaal, mutatienr. PL0500/03-080571, op 18 juni 2003 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie Twente (dossierpagina 18 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [verbalisant 5]:
Ik ben de vader van [het slachtoffer]. [Het slachtoffer] is weliswaar 21 jaar, maar functioneert als een meisje van 14 à 15 jaar. Op 17 juni 2003 bleek mij dat mijn vrouw en [het slachtoffer] een gesprek hadden gehad met [betrokkene 1] over dat [het slachtoffer] door [verdachte] seksueel misbruikt was. [Het slachtoffer] was overstuur. Inmiddels heb ik van [het slachtoffer] begrepen dat zij twee keer seksuele gemeenschap met [verdachte] heeft gehad. [Het slachtoffer] had het daarbij over het weghalen van een keuken uit de caravan van [betrokkene 2] die ook bij ons op de camping staat. [Verdachte] heeft die keuken toen voor mij uit de caravan van [betrokkene 2] gehaald. [Het slachtoffer] heeft hem daarbij geholpen en is toen een poosje alleen met [verdachte] in de caravan geweest.
6. een proces-verbaal, mutatienr. PL0500/03-080571, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Twente (dossierpagina 39 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik beheer samen met mijn man de camping [...] aan de [a-straat] te [plaats]. Op dinsdag 17 juni 2003 sprak [het slachtoffer] mij aan. Ze vertelde dat [verdachte] haar gedwongen had tot seks. [Het slachtoffer] vertelde dat ze tegen [verdachte] had gezegd dat ze niet wilde en dat het zeer deed.
7. een proces-verbaal, mutatienr. PL0500/03-080571, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie Twente (dossierpagina 44 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:
Ik ben als groepsleerkracht en stagebegeleider werkzaam op een praktijkschool voor zeer moeilijk lerende kinderen. Ik heb [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1981, de laatste drie jaar op school begeleid. In 1999 is [het slachtoffer] door een psycholoog van de school onderzocht. Uit onderzoek bleek dat [het slachtoffer] een algemeen IQ had van 61. Ik heb [het slachtoffer] in 2002 nog gesproken. Ze was nog steeds het kind dat in haar doen en laten tussen de 10 en 12 jaar oud was. Je kon dit echt merken.
6. In de toelichting op het middel wordt ten eerste gesteld dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu namens de verdachte in eerste aanleg uitdrukkelijk is betwist dat de verdachte geweld zou hebben gebruikt door het slachtoffer op bed te duwen.
7. Nog daargelaten dat de ontkenning dat de verdachte het slachtoffer op bed heeft geduwd of anderszins geweld, bedreiging of dwang heeft gebruikt geen responsieplichtig bewijsverweer is(1), blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 september 2004 niet dat dit verweer in hoger beroep is herhaald. Het Hof was dan ook - anders dan de steller van het middel kennelijk meent - niet gehouden hier uitdrukkelijk op in te gaan (zie o.m. HR 7 mei 2002, NJ 2002, 428).
8. Voorzover de steller van het middel wil betogen dat het op bed duwen geen geweld in de zin van art. 242 SrPro oplevert, zij opgemerkt dat de afgrenzing tussen "geweld" en "een andere feitelijkheid" afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval (zie HR 3 november 1998, NJ 1999, 125). Het kennelijk oordeel van het Hof dat het op bed duwen van het slachtoffer geweld oplevert in de zin van art. 242 SrPro, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
9. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het slachtoffer de verdachte heeft verzocht te stoppen.
10. Uit de bewijsmiddelen, waaronder in het bijzonder bewijsmiddel 3 (inhoudende dat het slachtoffer heeft gezegd dat zij zich niet uit wilde kleden) en bewijsmiddel 6 (inhoudende dat het slachtoffer tegenover [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat ze niet wilde), kan worden afgeleid dat het slachtoffer de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zij de seksuele handelingen tegen haar wil onderging en dat hij derhalve diende te stoppen. Voorzover evenwel de bewezenverklaring zo moet worden uitgelegd dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat het slachtoffer de verdachte expliciet - met zoveel woorden - heeft verzocht om te stoppen, wijst de steller van het middel er op zich terecht op dat dit onderdeel van de bewezenverklaring niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Om een wezenlijk onderdeel van de bewezenverklaring gaat het dan echter niet. Daarom mag het ervoor gehouden worden dat het Hof dit onderdeel als gevolg van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring heeft opgenomen en kan de Hoge Raad - nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde daardoor niet wordt aangetast - de bewezenverklaring lezen met herstel van deze misslag. Daardoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen (zie o.m. HR 18 januari 2005, LJN: AR4883)(2).
11. Tenslotte wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het geestelijk overwicht dat hij op het slachtoffer had, noch dat door bepaalde gedragingen een bedreigende sfeer is ontstaan.
12. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer een destijds 21-jarig verstandelijk gehandicapt meisje is met een IQ van 61, dat volgens haar vader functioneert als een 14 à 15-jarige, maar volgens haar leraar als een 10 à 12- jarige. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de destijds ongeveer 40-jarige verdachte geestelijk overwicht had op dit slachtoffer, is niet onbegrijpelijk.
13. Ook het kennelijk oordeel van het Hof dat de verdachte misbruik van dit overwicht heeft gemaakt doordat zijn gedragingen voor het slachtoffer een psychische druk opleverden waaraan zij geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde de handelingen van de verdachte te ondergaan en dat - mede door het op bed duwen van het slachtoffer - voor haar een bedreigende situatie is ontstaan, waardoor de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen van de verdachte tegen haar wil heeft ondergaan, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is - mede gelet op de voor het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer dat zij bang was, heeft gezegd dat ze haar kleren niet wilde uittrekken en wel wilde schreeuwen, maar dat niet durfde - niet onbegrijpelijk (vgl. HR 10 september 2002, NJ 2002, 500). De bewezenverklaring is dan ook voldoende met redenen omkleed.
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof had moeten motiveren waarom het "in afwijking van het door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt" tot een bewezenverklaring is gekomen. Aldus lijkt te worden miskend dat art. 359 lid 2 SvPro zoals dat thans luidt, op 1 januari 2005 in werking is getreden en dus niet van toepassing is op de onderhavige zaak.
2 Vgl. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 439 in welke zaak de overgebleven feitelijkheden niet voldoende waren om te concluderen dat de verdachte daardoor opzettelijk had veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn wil heeft ondergaan