ECLI:NL:PHR:2006:AU9152
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitleveringsverzoek ter tenuitvoerlegging en het specialiteitsbeginsel
In deze zaak stond de uitlevering van een persoon aan Noorwegen ter tenuitvoerlegging van een opgelegde straf centraal. De rechtbank had het verzoek tot uitlevering deels afgewezen vanwege een vermeende schending van het specialiteitsbeginsel, maar verklaarde de uitlevering voor andere strafvonnissen wel toelaatbaar.
De Hoge Raad benadrukte dat de uitleveringsrechter niet vrij is om de juistheid van de buitenlandse veroordeling te toetsen, noch om te beoordelen of het specialiteitsbeginsel is nageleefd, tenzij er sprake is van een flagrante schending van de rechten zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. In deze zaak was daarvan geen sprake gebleken.
Verder werd overwogen dat een schending van het specialiteitsbeginsel op zich geen flagrante schending van art. 6 EVRM Pro inhoudt, tenzij de verdachte daardoor niet de mogelijkheid krijgt zich op dat beginsel te beroepen. Ook werd opgemerkt dat als de opgeëiste persoon nog een effectief rechtsmiddel heeft in Noorwegen, dit een beletsel voor uitlevering wegneemt.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank terecht het verweer omtrent het specialiteitsbeginsel had verworpen en dat er geen gronden waren voor cassatie. Het beroep werd verworpen en de uitlevering ter tenuitvoerlegging kon doorgaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitlevering ter tenuitvoerlegging aan Noorwegen toelaatbaar is zonder toetsing aan het specialiteitsbeginsel.