ECLI:NL:PHR:2006:AU9426

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01659/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359, tweede lid, SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt betrouwbaarheid van getuigenherkenningen ondanks beïnvloeding bij confrontaties

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor meerdere diefstallen met bedreiging van geweld. De verdediging stelde dat de foto- en spiegelconfrontaties onrechtmatig en onbetrouwbaar waren vanwege ongewenste wijze van uitvoering en beïnvloeding van getuigen.

Het hof oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren van enige beïnvloeding doordat getuigen wisten dat een verdachte was aangehouden, deze beïnvloeding niet van dien aard was dat de waarnemingen van de getuigen werden aangetast. De getuigen hadden de verdachte herkend aan specifieke uiterlijke kenmerken tijdens de confrontaties, die ook in eerste aanleg onder ede waren bevestigd.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet heeft verzuimd te motiveren waarom het de herkenningen als betrouwbaar beschouwt. Het cassatiemiddel faalt omdat het niet aannemelijk maakt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 01659/05
Mr Machielse
Zitting 10 januari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte op 23 maart 2005 ter zake van 1. "diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", 2. "diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" en 3. "diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.(1)
3.1 Het middel houdt de klacht in dat art. 359, tweede lid, Sv is geschonden, nu het Hof heeft nagelaten in zijn arrest in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat het Hof afwijkt van het door en namens verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de herkenningen als onbetrouwbaar zijn aan te merken.
3.2 Aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 9 maart 2005 is een op die dag aan het Hof gefaxte, met de hand geschreven pleitnota van mr. Van Ophoven gehecht. Die pleitnota houdt (als ik het goed lees)(2) wat betreft de gehouden enkelvoudige spiegel- en fotoconfrontaties onder meer het volgende in. Volgens de verdediging hebben sommige spiegelconfrontaties op een ongewenste wijze plaatsgevonden (tijdens verhoor, vanaf rugzijde/zijkant), zodat die confrontaties onrechtmatig en onbetrouwbaar zijn. Voorts wordt in de pleitnota aangevoerd dat sprake is geweest van beïnvloeding van bepaalde getuigen door de politie voorafgaand aan de confrontaties, nu aan deze getuigen is verteld dat een persoon is aangehouden die aan de daderkenmerken voldeed. Gelet op die beïnvloeding zouden de confrontaties zijn uitgevoerd in strijd met een eerlijke procesvoering, hetgeen de confrontaties onrechtmatig maakt. Bovendien zou de beïnvloeding er toe hebben geleid dat de herkenningen als onbetrouwbaar zijn aan te merken.
3.3 In het bestreden arrest heeft het Hof voornoemd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft verder aangevoerd, dat de gehouden foto- en spiegelconfrontaties niet op juiste wijze zijn uitgevoerd en dat het resultaat van deze confrontaties, als zijnde onrechtmatig verkregen buiten beschouwing moet blijven.
Het hof verwerpt het verweer. Onrechtmatigheid van bewijsgaring met betrekking tot verklaringen van personen inhoudende herkenning van een verdachte als betrokken bij een strafbaar feit doet zich voor indien de bij die confrontatie gevolgde werkwijze onverenigbaar is met een eerlijke bewijsvoering. Hiervan kan sprake zijn indien de bij die confrontatie gevolgde werkwijze strekt ter beïnvloeding van die personen met het oog op de door hen af te leggen verklaring.
Het enkele feit dat een confrontatie niet plaats vindt volgens een bestaand protocol maakt op zich niet dat zo'n confrontatie onrechtmatig is. Het hof stelt vast dat er aanwijzingen zijn dat er een zekere mate van beïnvloeding bij de confrontaties heeft plaatsgevonden in die zin dat sommige getuigen wisten dat de politie een verdachte had aangehouden. Niet is echter gebleken dat deze beïnvloeding, waarbij het hof heeft gezien de beschreven reacties van sommige getuigen op het zien van verdachte door een spiegel of de foto van verdachte, zodanig is geweest dat het de waarneming van de getuigen heeft aangetast, waardoor de bewijsvoering niet eerlijk is."
3.4 Het middel richt zich niet tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat de confrontaties als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moeten blijven, maar houdt enkel de klacht in dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft gereageerd op de stelling dat de herkenningen vanwege de beïnvloeding van de getuigen als onbetrouwbaar zijn aan te merken. Anders dan de steller van het middel ben ik van mening dat het Hof niet heeft verzuimd te motiveren dat en waarom het de herkenningen van de winkelmedewerksters en de overige getuigen van de gewelddadige overvallen als betrouwbaar aanmerkt, en wel gelet op het navolgende.
3.5 In zijn overweging, zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven, stelt het Hof voorop dat er inderdaad aanwijzingen zijn dat sprake is geweest van een zekere mate van beïnvloeding in die zin dat sommige getuigen voorafgaand aan de confrontaties erover waren geïnformeerd dat de politie een verdachte had aangehouden, maar concludeert het uiteindelijk dat die beïnvloeding niet van dien aard is geweest dat het de waarnemingen van de getuigen heeft aangetast. Tot die conclusie is het Hof gekomen op grond van reacties van getuigen op het zien van verdachte door een spiegel of de foto van verdachte. Met zijn verwijzing naar de waarnemingen van de getuigen doelt het Hof kennelijk op hetgeen door die getuigen is verklaard omtrent specifieke overeenkomsten in gedrag en uiterlijk tussen verdachte, zoals bij de confrontatie waargenomen, en de dader van de overvallen. Daarbij verdient opmerking dat alle getuigen van wie de herkenning door het Hof voor het bewijs is gebezigd, in eerste aanleg in aanwezigheid van verdachtes raadsman bij de rechter-commissaris omtrent de gang van zaken tijdens de confrontaties zijn gehoord. Bij dat verhoor hebben de getuigen onder meer duidelijk aangegeven aan welke uiterlijke kenmerken zij verdachte als dader van de overvallen hebben herkend.(3) Zo heeft [getuige 1] verklaard dat hij verdachte aan zijn ogen, neus, mond en de vorm van het gezicht herkende(4), heeft [getuige 2] aangegeven dat zij het profiel van verdachte herkende en de diepe lijnen in zijn gezicht(5), verklaarde [getuige 3] dat zij verdachte als dader heeft aangewezen vanwege zijn gezicht, zijn haar en de blik in zijn ogen(6) en heeft [getuige 4] aangegeven dat zij verdachte onder meer heeft herkend aan zijn gestalte, zijn arrogante houding en de scherpe trekken in zijn gezicht.(7) Voorts hebben zowel [getuige 3] als [getuige 4] verklaard te zijn geschrokken van de confrontatie met verdachte; [getuige 4] was zelfs dermate overstuur geraakt bij het zien van verdachte dat zij moest huilen.(8)
3.6 De overweging van het Hof dat gezien die reacties niet is gebleken dat de beïnvloeding van dien aard is geweest dat het de waarneming van de getuigen heeft aangetast moet dan ook mijns inziens mede aldus worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat die herkenningen als betrouwbaar zijn aan te merken. Gelet op hetgeen de getuigen bij de rechter-commissaris hebben verklaard omtrent de wijze waarop de herkenningen tot stand zijn gekomen is dat het oordeel mijns inziens geenszins onbegrijpelijk, ondanks dat sprake was van enkelvoudige confrontaties.
Overigens is het feit dat voornoemde overweging is ingebed in de motivering geplaatst onder het hoofd "Onrechtmatig verkregen bewijs" - hetgeen de steller van het middel brengt tot een beperkte lezing van die overweging - mijns inziens met name terug te voeren op de (rommelige) manier waarop het verweer in hoger beroep is gevoerd. De onrechtmatigheid en onbetrouwbaarheid van de herkenningen worden in de pleitnota immers gebaseerd op dezelfde stellingen en ook vaak in een adem genoemd.
Nu het Hof wel degelijk en op niet onbegrijpelijke wijze heeft geantwoord op het in hoger beroep gevoerde betrouwbaarheidsverweer kan het middel niet slagen.
3.7 Het middel faalt.
4. Het middel leent zich naar mijn mening voor een verwerping op de voet van art. 81 RO Pro. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nr. 01658/05 P tegen dezelfde verdachte, in welke ik vandaag eveneens concludeer.
2 Ik heb nogal wat moeite moeten doen om de zinnen te ontcijferen; het gefaxte schrijven lijkt meer op een verzameling kladblaadjes dan op een pleitnota.
3 Zo zijn [getuige 5] en [getuige 4] op 22 oktober 2003, [getuige 2] en [getuige 3] op 29 oktober 2003 en [getuige 1] op 30 oktober 2003 bij de rechter-commissaris gehoord. Zie de processen-verbaal met rc-nr. 03/429 d.d. 22, 29 en 30 oktober 2003. De processen-verbaal van verhoor houdende herkenning van verdachte bij de politie heeft het Hof tot het bewijs gebezigd als bewijsmiddelen 3, 4, 7, 9 en 13.
4 Zie het proces-verbaal van verhoor van getuigen van 30 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 2.
5 Proces-verbaal van verhoor getuigen d.d. 29 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 3.
6 Proces-verbaal van verhoor getuigen van 29 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 9.
7 Proces-verbaal van verhoor getuigen d.d. 22 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 7-8.
8 Zie het proces-verbaal van verhoor getuigen van 29 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 9 en het proces-verbaal van verhoor getuigen van 22 oktober 2003, rc-nr. 03/429, p. 8.