ECLI:NL:PHR:2006:AU9736
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beklag over niet-vervolging minister-president wegens ambtsmisdrijven
Klager diende bij het gerechtshof te 's-Gravenhage beklag in over het niet vervolgen van de minister-president voor vermeende ambtsmisdrijven gerelateerd aan de oorlog in Irak, het lidmaatschap van de Coalitie of the Willing en de toestemmingswet voor het huwelijk van Mw. Wisse Smit en Prins Johan Friso.
Het gerechtshof verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de Hoge Raad, die in eerste en laatste instantie kennis neemt van beklagen over niet-vervolging van ambtsmisdrijven gepleegd door ministers. De Hoge Raad oordeelt dat de strafbare feiten die klager aan de minister-president ten laste legt, onder art. 44 Sr Pro vallen, waardoor alleen de Hoge Raad bevoegd is.
Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat een strafvervolging tegen een minister alleen kan worden ingesteld na een opdracht van de Tweede Kamer of een Koninklijk Besluit, welke in deze zaak ontbreekt. Daarnaast is klager niet rechtstreeks belanghebbende, omdat hij niet concreet is getroffen door het achterwege blijven van vervolging.
Daarom verklaart de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk in zijn beklag en ziet af van het horen van klager. De procedure wordt daarmee beëindigd zonder inhoudelijke behandeling van de vermeende ambtsmisdrijven.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag over het niet vervolgen van de minister-president wegens het ontbreken van een vervolgingsopdracht en rechtstreeks belang.