4. De vrouw heeft ter adstructie van haar vorderingen ter zake van de echtelijke woning aangevoerd - primair - dat zij uit privémiddelen aan de man een bedrag van f 18.770,80 heeft verstrekt ter voldoening van de vordering wegens overbedeling.
De man heeft de vorderingen van de vrouw weersproken. In dat verband heeft hij onder meer betoogd dat hij het (ter zake van de vordering tot overbedeling) voor de verkrijging van de woning benodigde bedrag van f 18.770,80 heeft gefinancierd met - kort nadien terugbetaalde - geldleningen, verstrekt door de vrouw (f 7.500,-) en door een vriend (f 2.000,-), en voorts met eigen spaargeld (f 9.500,-).
Daarop heeft de vrouw (bij akte van repliek en verder bij akte na comparitie) - subsidiair - betoogd dat zij haar aanvankelijke stelling dat zij de man het gehele bedrag van f 18.770,80 uit eigen middelen heeft verstrekt niet kan bewijzen, maar dat de stellingen van de man erop neerkomen dat de echtelijke woning - die blijkens de akte van verdeling f 25.000,- waard was - tot een bedrag van f 18.770,80 is gefinancierd uit bespaarde inkomsten nu het aandeel van de man in de nalatenschap slechts f 2.229,20 bedroeg en de man in het kader van de verdeling een schuld van f 4.000,- voor zijn rekening nam; in dat verband heeft de vrouw betoogd dat de volgens de man door haar verstrekte lening van f 7.500,- die niet aan haar is terugbetaald, afkomstig was uit bespaarde inkomsten, terwijl voorts zowel de aflossing van de lening van de vriend, die ooit moet hebben plaatsgevonden, als de bijdrage uit het spaargeld van de man moeten worden beschouwd als afkomstig uit overgespaarde inkomsten nu de man bij de aanvang van het huwelijk geen beschikking had over privévermogen. De vrouw is tot de slotsom gekomen dat zij op grond van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding, inhoudende dat alle tijdens het huwelijk bespaarde inkomsten en voorts alle vermogensvermeerderingen die zijn ontstaan door belegging van bespaarde inkomsten moeten worden verrekend, recht heeft op verrekening van de helft van 91% van de huidige waarde van de woning, althans op verrekening van een aan de bespaarde inkomsten evenredig deel van de waarde van de woning.
De man - die voorafgaande aan de comparitie per brief heeft aangegeven niet in staat te zijn een overzicht of financiële bescheiden te verstrekken waaruit blijkt van welke personen hij destijds geld heeft geleend - heeft bij akte na comparitie verklaard dat zijn stelling dat hij een bedrag van f 9.500,- aan spaargeld bezat dat voor de financiering van de woning is aangewend, zo moet worden begrepen dat hij dat bedrag tijdelijk heeft onttrokken aan de eenmanszaak die hij destijds had en dat deze onttrekking later is aangevuld door middel van het sluiten van een hypotheek op de woning ten bedrage van f 90.000,-. De man heeft betoogd dat deze inbreng dan ook niet kan worden beschouwd als (afkomstig uit) overgespaarde inkomsten, evenmin als de lening van een vriend ad f 2.000,- die (waarschijnlijk) niet in geld is terugbetaald maar in natura door middel van het verrichten van enkele werkzaamheden, en voorts evenmin als de lening van de vrouw ad f 7.500,- die korte tijd na de verstrekking is terugbetaald uit een bij de vader van de man aangegane lening.