ECLI:NL:PHR:2006:AV0056
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid voorwaardelijk ontslag uit psychiatrisch ziekenhuis onder voorwaarden
Betrokkene verbleef sinds 1994 in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een TBS-maatregel en latere Wet Bopz-machtigingen. Na een verzoek om ontslag werd door de rechtbank een voorwaardelijk ontslag verleend, waarbij voorwaarden werden gesteld aan de behandeling en het gedrag van betrokkene.
De officier van justitie stelde cassatie in tegen dit besluit en voerde aan dat het hoge recidiverisico en de aard van de stoornis (pedoseksualiteit) het verlenen van voorwaardelijk ontslag niet rechtvaardigen. Volgens de officier van justitie zou het gevaar alleen door medische vermindering van de stoornis kunnen afnemen, wat hier niet het geval was.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet ruimte biedt voor een voorwaardelijk ontslag ook als de stoornis zelf niet vermindert, mits het gevaar door toezicht en voorwaarden voldoende wordt beperkt. De rechtbank heeft dit juist toegepast en haar oordeel voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het voorwaardelijk ontslag onder de gegeven voorwaarden verantwoord is.
De uitspraak benadrukt het belang van een geleidelijke terugkeer in de maatschappij en de mogelijkheid om voorwaarden te verbinden aan het ontslag om het recidiverisico te beheersen. Tevens wordt bevestigd dat de rechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de afweging of het ontslag verantwoord is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder voorwaarden ondanks het hoge recidiverisico.