1 Ontleend aan rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest, waarin verwezen wordt naar rov. 1 van het in eerste aanleg gewezen vonnis van 15 mei 2002.
2 Blijkens de al aangehaalde rov. 3 uit het in cassatie bestreden arrest was dit op 17 mei 1998. In onderdeel 1 sub c van het principale middel wordt als datum 24 mei 1998 genoemd. Dat lijkt mij onverenigbaar met de aangehaalde vaststelling van het hof. Intussen maakt het voor de beoordeling van de zaak geen verschil of de juiste datum 17 dan wel 24 mei was.
3 De eerder aangehaalde overeenkomst wordt door partijen en door de rechters van de vorige instanties wel als (de) "commerciële alliantie" aangeduid, en de onderhavige overeenkomst als (de) "management alliantie". Ik zal die aanduidingen vedere ook gebruiken.
4 Rov. 2.3 - 2.6 van het in cassatie bestreden arrest.
5 Het arrest van het hof is van 10 februari 2004, de cassatiedagvaarding van 7 mei 2004.
6 De toerekenbaarheid vormt in deze zaak geen punt van discussie; ik zal gewoonlijk spreken van "tekortkoming" (of varianten daarop) zonder telkens te herhalen dat "toerekenbare" tekortkoming bedoeld wordt.
7 HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258, rov. 3.6.
8 In alinea 31 van de conclusie voor HR 24 juni 2005, rechtspraak.nl LJN AT5466 wordt terloops opgemerkt dat de verbintenis om niet te doen naar zijn aard gewoonlijk tevens als "duurverbintenis" zal gelden (omdat zo'n verbintenis er gewoonlijk toe strekt dat men zich blijvend, of gedurende een relevante periode tijds, van een bepaalde handelwijze zal onthouden).
Er zijn echter uitzonderingen denkbaar (voorbeeld: de verplichting om bij een aandeelhoudersvergadering niet aan de stemming over een bepaald voorstel deel te nemen). Ik maak deze opmerkingen, omdat het middel in het principale beroep suggereert dat er een bijzondere regel zou bestaan voor de "duurverbintenis om niet te doen". Ik denk dat dat niet juist is: de verbintenis om niet te doen is in vele gevallen tevens een duurverbintenis (zodat dan de in het hier besproken arrest gegeven regel in beide varianten van toepassing kan zijn). Het kan echter ook om een niet voor een bepaalde tijdsduur relevante prestatie gaan. Dan doet de bedoelde regel alleen opgeld in zijn specifieke, op verbintenissen om niet te doen gerichte variant.
9 HR 24 september 2004, NJ 2004, 672, rov. 3.8; HR 11 januari 2002, NJ 2003, 255 m.nt. JH, rov. 3.4.
10 HR 22 oktober 2004, RvdW 2004, 119, BR 2005, 104 (p. 449 e.v.) m.nt. Chao-Duijvis, rov. 3.4.3 - 3.4.5; HR 20 september 2002, NJ 2004, 458 m.nt. JH, rov. 3.4.2 (in alinea 3 van de noot wordt er overigens terecht op gewezen dat deze nog onder vigeur van "oud" BW-recht gewezen uitspraak niet in alle opzichten voor het "nieuwe" BW-recht maatgevend is).
11 HR 28 november 2003, NJ 2004, 237, rov. 3.3; HR 4 oktober 2002, NJ 2003, 257 m.nt. JH, rov. 3.4 (slot).
12 Blijkens HR 12 september 2003, NJ 2004, 36, rov. 3.3.1 - 3.3.2 en HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 691, rov. 3.5 kan ook een met de hier bedoelde mededeling vergelijkbare houding van de debiteur meebrengen dat die debiteur naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep meer kan doen op het feit dat hij niet in gebreke is gesteld. Men zou de (in de literatuur verdedigde) regel dat bij een opzettelijk begane tekortkoming geen ingebrekestelling mag worden vereist, (ook) aan de hier aangehaalde bron(nen) kunnen "ophangen".
13 Streefkerk, NTBR 2004/1, p. 2 e.v. heeft gepleit voor aanpassing van de wetgeving in de hier bedoelde zin (zie ook Chao-Duijvis t.a.p. en mijn opmerkingen in conclusies voor HR 24 juni 2005, rechtspraak.nl LJN AT5466 en HR 11 januari 2002, NJ 2003, 255 m.nt. JH). Zie verder bijvoorbeeld De Jong, NTBR 2005/7, p. 288 e.v. en Contracteren 2005/1, p. 2 e.v.; Janssen en Van Rossum, NTBR 2004/2, p. 62 e.v. (met kritiek op de zienswijze van Streefkerk); Hartlief, AAe 2005/4, p. 261 e.v.
14 Asser-Hartkamp 4 I, 2004, nr. 382.
15 Uit het in voetnoot 7 aangehaalde arrest valt intussen op te maken dat van de crediteur niet altijd gevergd kan worden dat die de debiteur in de gelegenheid stelt tot herstel. Dat illustreert - nader - dat er geen algemene regel van de in alinea 9 hiervóór omschreven strekking bestaat.
16 HR 24 september 2004, NJ 2004, 672, rov. 3.4 en 3.5.1 levert een verhelderend voorbeeld.
17 Zie bijvoorbeeld HR 4 maart 2005, rechtspraak.nl LJN AR6176, rov. 4.3.3; HR 17 september 2004, NJ 2005, 169 m.nt. JHS, rov. 3.3.2 en 3.3.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 107 - 109; Asser-Hartkamp 4 II, 2005, nr. 284.
18 Het gaat hier onmiskenbaar niet om een (uitzonderings)regel die als een zuivere rechtsvraag kan worden beschouwd, die de rechter ook zonder dat een specifieke feitelijke grondslag daarvoor is aangevoerd zou kunnen (en moeten) beoordelen; zie bijvoorbeeld HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324, rov. 3.3.1.
19 Volledigheidshalve teken ik aan dat ik ook zelf in het (appel)dossier geen stellingen van deze strekking heb aangetroffen (met dien verstande dat in de pleitnota in appel namens Ten Cate, alinea 27, eenmaal, en zonder noemenswaardige verdere toelichting, wordt opgemerkt "Uit niets blijkt immers dat een aanmaning "nutteloos" zou zijn geweest"; zie ook de volzin aan het slot van die alinea).
(Ook) in appel heeft Ten Cate vooral het standpunt beleden, dat de management alliantie de ruimte liet om [betrokkene 1] blijvend (en als lid van de Raad van Bestuur) aan Ten Cate te binden. Dat standpunt is slecht verenigbaar met de stelling dat een ingebrekestelling die op het tegengestelde standpunt berustte, toch niet "volstrekt nutteloos" zou zijn geweest. Daarom kan men het als begrijpelijk beoordelen dat Ten Cate in de feitelijke instanties die stelling niet heeft willen aanvoeren; en althans, dat het hof (kennelijk) geen stelling van deze weinig voor de hand liggende strekking in Ten Cates stukken heeft "ingelezen".
20 En die voor wat betreft de beoordeling in cassatie als "feitelijk" heeft te gelden, zie voetnoot 17 hiervóór. Ik merk nog op dat het feit dat een andere uitleg evenzeer mogelijk is, niet af hoeft te doen aan de begrijpelijkheid van een door de "feitenrechter" gevonden uitleg, HR 17 september 2004, NJ 2005, 169 m.nt. JHS, rov. 3.3.3.
21 Het hof haalt bijvoorbeeld in rov. 4.8 een aantal uitlatingen aan van de getuige [getuige 1] (destijds optredend namens United Fabrics/TGT), die kunnen worden opgevat als "protest" dan wel als voorbehoud bij, of in verband met, de - als gegeven - geaccepteerde benoeming van [betrokkene 1].
22 Het middel bestrijdt met recht niet, dat dit de maatstaf voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding-bij-staat is, zie o.a. HR 8 april 2005, NJ 2005, 371, rov. 3.4.
23 Zie bijvoorbeeld alinea 126 van de Memorie van Antwoord en alinea's 20 - 22 en 37 van de pleitnota namens Ten Cate in appel.
24 De middelonderdelen verwijzen in dit verband, en volgens mij dus met recht, naar de alinea's 4.5.2 en 4.5.3 van de Memorie van Grieven.
25 Dat onderdeel 1.3 hier rov. 4.5 noemt, lijkt mij een verschrijving.