ECLI:NL:PHR:2006:AV1333
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over fiscale woonplaats en kwalificatie binnenlandse belastingplicht bij dubbele woonplaats
In deze zaak staat centraal de fiscale kwalificatie van de woonplaats van belanghebbende, die in 1996 een periode van verblijf op Curaçao had, maar tevens duurzame banden met Nederland behield. Belanghebbende stelde primair dat hij vanaf 24 december 1996 als buitenlands belastingplichtige moest worden aangemerkt, omdat hij zich op Curaçao als inwoner had gevestigd en zijn aandelenstructuur had aangepast.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende ondanks zijn verblijf op Curaçao een duurzaam tehuis in Nederland had, namelijk een woning die hij en zijn echtgenote permanent konden betrekken. Tevens waren zijn persoonlijke en economische betrekkingen met Nederland het nauwst. Dit leidde tot de kwalificatie als binnenlands belastingplichtige voor de periode van 24 december 1996 tot 1 april 1998.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de fiscale gevolgen van de conversie van aandelen in cumulatief preferente aandelen en winstbewijzen. Het Hof stelde vast dat deze conversie geen directe of indirecte vermogensverschuiving inhield en dat er geen sprake was van vervreemding in de zin van artikel 39 Wet Pro IB 1964. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, waarbij werd gewezen op het onderscheid tussen nominale en economische waarde en de fiscale behandeling van bonusaandelen.
De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris en het incidenteel beroep van belanghebbende, waarmee het Hofs oordeel werd bekrachtigd. Het arrest bevat een uitgebreide analyse van de nationale en internationale toetsingscriteria voor de fiscale woonplaats, met nadruk op het begrip 'duurzaam tehuis' en het middelpunt van de levensbelangen volgens de Belastingregeling voor het Koninkrijk en het OESO-modelverdrag.
Uitkomst: Belanghebbende wordt voor de periode van 24 december 1996 tot 1 april 1998 als binnenlands belastingplichtige aangemerkt en de aanslag wordt bevestigd.