ECLI:NL:PHR:2006:AV1620

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01326/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 415 SvArt. 365a SvArt. 138b SvArt. 434 lid 1 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbreken wettelijk vereiste verkort arrest in strafzaak poging en diefstal

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 28 januari 2005 een verdachte veroordeeld voor poging tot diefstal en diefstal, en een gevangenisstraf van zestig dagen opgelegd. Het hof heeft zijn beslissingen echter niet vastgelegd in een wettelijk voorgeschreven verkort arrest, maar in een 'uittreksel' dat niet voldoet aan de vereisten van onder meer artikel 365a jo. 138b Sv.

De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van een dergelijk verkort arrest een wezenlijk vormverzuim in het strafproces inhoudt, waardoor de bestreden uitspraak nietig is, ook al is dit niet expliciet in de wet genoemd. Dit oordeel wordt niet beïnvloed door het feit dat een later volledig uitgewerkt arrest aan de stukken is toegevoegd.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het middel van cassatie gegrond is en dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing in hoger beroep op basis van de bestaande stukken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een wettelijk voorgeschreven verkort arrest en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01326/05
Mr Machielse
Zitting 7 februari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 28 januari 2005 ter zake van 1. "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 2. "diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en 3. "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestig dagen. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Bovendien heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel houdt de klacht in dat het Hof zijn op 28 januari 2005 gegeven beslissingen niet heeft neergelegd in een verkort arrest, maar in een "uittreksel" dat niet voldoet aan de wettelijke vereisten.
3.2 Aan de cassatieschriftuur is het in het middel bedoelde "uittreksel" gehecht. Dit door de voorzitter en griffier ondertekende stuk - waarin slechts zijn opgenomen de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten, de datum waarop en de plaats waar zij zijn begaan, de toepasselijke wetsartikelen alsmede het dictum - bevindt zich ook in het dossier.
Het "uittreksel" voldoet niet aan de eisen die ingevolge de in deze op grond van artikel 415 Sv Pro toepasselijke artikelen 365a Sv jo 138b Sv aan een verkort arrest worden gesteld, omdat daarin de tenlastelegging en de bewezenverklaring ontbreken en het stuk niet is ondertekend door zowel de raadsheren die het arrest hebben gewezen als de griffier.
3.3 Tot de stukken van het geding behoort voorts een geheel uitgewerkt arrest. Dit arrest is niet opgemaakt in de vorm van een verkort arrest als hiervoor onder 3.2 bedoeld, nu in dat geval daarnaast sprake zou zijn van een afzonderlijk opgemaakte en ondertekende aanvulling van de bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de door het Hof op 28 januari 2005 in de strafzaak tegen verdachte gegeven beslissingen niet zijn vastgelegd in een zogenoemd verkort arrest.
3.4 In HR 24 mei 2005, LJN AT2980 heeft de Hoge Raad in een zaak waarin, net als in onderhavige zaak, het Hof bij wege van arrest aanvankelijk had volstaan met een dergelijk "uittreksel" onder meer het volgende overwogen:
"s Hofs verzuim een arrest op te maken dat voldeed aan de hier ingevolge art. 415 Sv Pro toepasselijke wettelijke eisen, in het bijzonder die van art. 365a in verbinding met art. 138b Sv, heeft betrekking op een wezenlijke vorm van het strafproces zodat het nietigheid van de bestreden uitspraak oplevert, ook al is deze niet met zoveel woorden in de wet bedreigd. De omstandigheid dat zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken ook een kennelijk later opgemaakt - volledig uitgewerkt - arrest van het Hof bevindt dat beantwoordt aan de wettelijke voorschriften inzake de vormgeving van rechterlijke uitspraken als de onderhavige, dwingt niet tot een ander oordeel."
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het Hof ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden