ECLI:NL:PHR:2006:AV2292
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afvalstoffenbegrip en toepassing afvalstoffenbelasting bij stortplaats
De zaak betreft een cassatieberoep van de gemeente Delfzijl tegen een naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting over de jaren 1995-1997. De kern van het geschil is of bepaalde stoffen die aan een stortplaats werden aangeboden als afvalstoffen moeten worden aangemerkt en of het positieve-prijsbeginsel correct is toegepast. Ook staat ter discussie of de stortplaats als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) en Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) moet worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd conform de Kaderrichtlijn afvalstoffen en relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG). Beslissend is het perspectief van de aanbieder van de stoffen, die zich van deze stoffen wil of moet ontdoen. Het toekomstige nuttige gebruik binnen de inrichting door de houder ontnemen de stoffen niet het karakter van afvalstof. Het positieve-prijsbeginsel geldt als uitzondering, waarbij een reële prijs door de houder aan de aanbieder moet zijn betaald.
De Hoge Raad wijst op onduidelijkheden over de reële aard van de achteraf betaalde prijs van ƒ 2 per ton en verwijst de zaak terug naar een ander hof voor nader onderzoek naar de toepassing van het positieve-prijsbeginsel en de kwalificatie van de stoffen. Ook bevestigt de Hoge Raad dat de stortplaats gedurende het tijdvak als vergunningplichtige inrichting moet worden aangemerkt en niet als werk, omdat de milieuhygiënische afwerking nog niet was afgerond. Diverse motiveringsklachten worden verworpen wegens onvoldoende grondslag of niet te toetsen in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de stoffen afvalstoffen zijn vanuit het perspectief van de aanbieder en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de toepassing van het positieve-prijsbeginsel en de kwalificatie van bepaalde stoffen.