ECLI:NL:PHR:2006:AV2325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afvalstoffenbegrip en positieve prijs bij afvalstoffenbelasting
Belanghebbende, een samenwerkingsverband van gemeenten, exploiteert een afvalverwerkingsinrichting en kreeg naheffingsaanslagen opgelegd wegens het niet afdragen van afvalstoffenbelasting over diverse stoffen die aan de inrichting werden aangeboden. De kern van het geschil betrof de vraag of deze stoffen als afvalstoffen in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) moeten worden aangemerkt, en of het positieve prijsbeginsel van toepassing is.
Het Hof had geoordeeld dat de stoffen afvalstoffen zijn omdat de aanbieders zich ervan ontdoen, en dat het positieve prijsbeginsel niet van toepassing is omdat belanghebbende geen reële prijs betaalde, maar een nihil storttarief hanteerde. De Hoge Raad bevestigt dat het begrip afvalstof moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de aanbieder, niet van de stortplaatshouder, en dat het toekomstige nuttige gebruik door de stortplaatshouder het afvalstoffenkarakter niet wegneemt.
Voorts verduidelijkt de Hoge Raad dat het positieve prijsbeginsel slechts geldt indien de houder van de inrichting daadwerkelijk een reële prijs betaalt voor de stoffen, en dat een nihil of verlaagd storttarief geen reële prijs is. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat verklaringen van de aangewezen instelling A over niet-reinigbare grond bindend zijn, en dat een geldigheidstermijn van zes maanden aan deze verklaringen kan worden verbonden. Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen, dat van de Staatssecretaris gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de stoffen afvalstoffen zijn en het positieve prijsbeginsel niet van toepassing is bij een nihil storttarief; de geldigheidstermijn van A-verklaringen is bindend.