ECLI:NL:PHR:2006:AV2349
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen witwassen valse Bahreinse dinars
In deze zaak werd verdachte door het Hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen en het opzettelijk gebruik maken van vals geschrift. Het betrof 4801 valse Bahreinse dinars die verdachte en zijn mededaders op de zwarte markt in Egypte hadden gekocht met de intentie deze in Nederland om te wisselen.
Verdediging voerde in cassatie aan dat het geld waardeloos was en daarom niet als een voorwerp met financiële waarde in de zin van artikel 420bis Sr kon worden aangemerkt, waardoor de strafbaarheid zou vervallen. De verdediging maakte een vergelijking met Monopoly-geld en oude Nederlandse guldens, die geen geldswaarde meer hebben.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn mededaders uitgingen van een geldswaarde van de biljetten in een andere valuta. Vals geld valt onder het begrip voorwerp in art. 420bis Sr, ook als het geen geldig betaalmiddel is. De stelling van de verdediging mist feitelijke grondslag en het middel faalt. De veroordeling blijft in stand.
De uitspraak benadrukt dat het begrip voorwerp in art. 420bis Sr ruim is en ook valse bankbiljetten omvatten, omdat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf. De Hoge Raad bevestigt hiermee de strafbaarheid van het bezit en de handel in valse en misdrijfgerelateerde voorwerpen, ook als deze geen geldige waarde meer hebben.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen witwassen van valse Bahreinse dinars.