ECLI:NL:PHR:2006:AV2354
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep na vrijspraak misdrijf en veroordeling tot geldboete voor subsidiaire overtreding
In deze zaak is de verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor twee overtredingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) met een geldboete van €100 per overtreding. De verdachte was vrijgesproken van het primair tenlastegelegde misdrijf. Namens de verdachte werd cassatieberoep ingesteld tegen het arrest.
De Hoge Raad stelt vast dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de vrijspraak van het misdrijf, maar uitsluitend tegen de veroordeling voor de subsidiaire overtredingen. Omdat de opgelegde geldboetes onder het wettelijke maximum van €250 blijven, kan de verdachte niet in cassatie worden ontvangen. Dit volgt uit artikel 427 Sv Pro, dat sinds 1 januari 2002 bepaalt dat tegen arresten betreffende overtredingen met een geldboete onder dit maximum geen cassatieberoep openstaat.
De Hoge Raad bespreekt de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, waarbij wordt benadrukt dat de wetgever niet expliciet heeft willen afwijken van de eerdere rechtspraak die hoger beroep en cassatie toestond bij vrijspraak van het misdrijf en veroordeling voor subsidiaire overtreding. Desondanks wordt de huidige regeling strikt toegepast, wat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in deze situatie.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat de verdachte niet ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de opgelegde geldboetes onder het wettelijke maximum van €250 blijven.