Uit het proces-verbaal van bevindingen dd. 16 mei 2003 opgemaakt door Inspecteur van Politie Nievaart (blz. 765 e.v. van het proces-verbaal) blijkt waarom men heeft gekozen voor het traject van de zogenaamde stelselmatige informatie-inwinning door politie-infiltranten als bedoeld in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering. De Officier van Justitie heeft nog ter terechtzitting van 30 december 2003 het navolgende aangevuld: "de werkwijze ten aanzien van de politientele informanten blijkt uit het dossier. De inzet van de informanten is een beslissing/bevel van de Officier van Justitie. De bevelen zitten in het dossier. Bij de inzet van het middel wordt de afweging gemaakt of er voldaan is aan de beginselen van proportionaliteit en subsialiteit aan de hand van de stukken in het dossier. Ten aanzien van het Talloncriterium kan ik meedelen dat er van eventuele pseudokoop geen sprake was. De verdachte wordt niet vervolgd voor de levering van wapens maar voor de dubbele moord.".
Welke begrenzing heeft de bijzondere opsporingsbevoegdheid stelselmatige informatie-inwinning? Er moet een onderscheid worden gemaakt met de zogenaamde politie-infiltratie als bedoeld in artikel 126h. Blom definieert het verschil in Tekst en Commentaar Strafvordering als volgt: de bevoegdheid tot het undercover inwinnen van informatie onderscheidt zich van de politiële infiltratie doordat niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven wordt gepleegd. De informant is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan het begaan of beramen van misdrijven. Het bevel van artikel 126j legitimeert daartoe ook niet. (Aantekening 1 bij artikel 126j)
De aanwijzing opsporingsbevoegdheden van het Openbaar Ministerie in het hoofdstuk stelselmatige informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar bevat de volgende restrictie: "de opsporingsambtenaar die stelselmatig informatie inwint, mag zich in die hoedanigheid niet schuldig maken aan het plegen van strafbare feiten of betrokken zijn bij het plegen van strafbare feiten.".
Ik stel mij op het standpunt dat de gepleegde strafbare feiten niet uitsluitend betrekking dienen te hebben op de tenlaste gelegde strafbare feiten maar ook gelden voor andere niet ten laste gelegde strafbare feiten.
De vraag is dan ook: zijn er in het kader van de stelselmatige informatie-inwinning strafbare feiten gepleegd door de informanten? Daarbij direct aantekenend, dat het niet zozeer om voltooide delicten hoeft te gaan maar dat ook pogingen danwel voorbereidingshandelingen daartoe in aanmerking komen (vergelijk in dit verband H.R. 30 september 2003 Nieuwsbrief Strafrecht 6 november 2003 aflevering II blz. 954) .
Er is sprake van de aankoop van een neppistool (blz. 809 e.v. proces-verbaal) en de aanschaf van een echt pistool (zie blz. 841 van het proces-verbaal en de RC-verklaring van Nievaart) .
De infiltrant Kobus heeft tevens een auto en een camper aangeschaft (zie blz. 819 proces-verbaal) gebruikmakend van een vervalst identiteitsbewijs. Nievaart verklaart op 4 maart 2004 bij de Rechter-Commissaris hierover als volgt: "er zijn door de informanten twee auto's aangekocht. De informant, ik neem aan A1133, zorgde voor wijziging van de tenaamstelling van de kentekens bij het postkantoor. Hij heeft daarvoor zijn coverlegitimatie gebruikt. Dat is de legitimatie die hij gebruikt voor zijn aangenomen identiteit. Daarover is overleg geweest met de Officier van Justitie. Er is geen apart bevel voor gegeven. Het is niet expliciet in het proces-verbaal vermeld.".
Daar komt nog bij dat er gesprekken zijn gevoerd en handelingen zijn verricht met betrekking tot de handel in verdovende middelen. (Blz. 854 e.v. en blz. 870 e.v. proces-verbaal)
Zie ook in dit verband de RC-verklaring van Nievaart: "[Medeverdachte 1] had het idee dat de informanten in drugs handelden. [Medeverdachte 1] heeft toen een keer E 500,-- verdiend met het wegbrengen van een koffertje. Dat lijkt veel geld, maar in het kader van drugshandel is dat geen grote beloning" (alinea 9) .
Ik kom tot de conclusie dat de informant/infiltrant Kobus zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Wapens en Munitie, aan de Opiumwet en gebruik heeft gemaakt van een vervalst identiteitsbewijs.
Dit brengt met zich mee, dat Politie en Justitie buiten de bevoegdheden zijn getreden zoals gegeven in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering.
Een tweede grens die aangegeven kan worden in deze stelselmatige informatie-inwinning is gelegen in wat Blom in Tekst en Commentaar noemt beginselen van een behoorlijke procesorde. De informant kan voor het verkrijgen van informatie een vertrouwelijke en intieme contacten aangaan met de verdachte of personen in zijn omgeving. Hierbij zullen normen van fatsoen een grens vormen die niet alleen maar via de weg van de proportionaliteit in relatie tot het belang van het onderzoek juridisch relevant zullen kunnen worden gemaakt.
Uit de verslagen van de informanten/infiltranten maar ook uit hetgeen cliënt en zijn echtgenote hierover hebben verklaard blijkt dat men niet alleen in de zakelijke levenssfeer van de verdachten heeft ingedrongen.
Met name informant Kobus had veelvuldige contacten met cliënt, zijn echtgenote en de kinderen thuis. Bovendien bracht hij voor de kinderen cadeaus mee en was hij uitermate genereus richting cliënt en echtgenote. Ik citeer uit de RC-verklaring van [betrokkene 1] dd. 4 maart 2004: "Kobus en de andere man waren heel erg gesteld op onze kinderen. Kobus bracht vaak geschenken mee. De kinderen zaten bij hem op schoot. Het waren waardevolle geschenken, bijvoorbeeld robots. (alinea 9 )".
"Er is met Kobus een vriendschappelijke band ontstaan. Eigenlijk werd hij lid van onze familie. Hij en de andere man waren sympatieke, warme mensen. Later heb ik gehoord dat hij eigenlijk politieman is. Toen ik dat hoorde was ik ontgoocheld. De kinderen vragen nog steeds naar Kobus. Hij had hen een computer beloofd. Zij zijn nog steeds in staat hem om de hals te vliegen." (alinea 10).
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de door Blom genoemde grens is overschreden.
Welk rechtsgevolg dient aan bovengenoemde grensoverschrijdingen te worden verbonden?
Primair bepleit ik de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie omdat men op grove wijze de belangen van de verdachte heeft verontachtzaamd door buiten de bevoegdheden te treden van de gehanteerde bijzondere opsporingsbevoegdheid.
Subsidiair bepleit ik bewijsuitsluiting van alle informatie die tijdens het hanteren van deze opsporingsbevoegdheid is verzameld inclusief gegevens die verkregen zijn in het kader van het opgenomen gesprek tussen cliënt en zijn broer. (blz. 994 e.v. van het proces-verbaal) Immers, het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel is het rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige stelselmatige informatie-inwinning.