1 Ontleend aan rov. 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest van het hof van 9 november 2004. Zie ook rov. 4.3 en 4.4 van het arrest van het hof van 8 september 1997 uit de "hoofdprocedure".
2 Op de twee verschillende benaderingswijzen die ik in deze bijzin aanduid, wordt vanzelfsprekend nog nader ingegaan.
3 Het arrest van het hof is van 9 november 2004. De cassatiedagvaarding is op 9 februari 2005 betekend.
4 Het hof formuleert dit in rov. 4.19 als "dat het planologisch aspect in orde zou komen".
5 Dit deel van het arrest wordt in cassatie niet bestreden.
6 Ik bedoel daarmee allereerst de (verschillende) wegen die denkbaar zijn om tot wijziging van een bestemmingsplan te komen; maar bijvoorbeeld ook het overleg met andere betrokkenen (zoals de door de gemeente aangetrokken projectontwikkelaar), dat noodzakelijkerwijs met een dergelijk initiatief gepaard gaat.
7 Over hoe deze uitkomst te rijmen is met die uit het arrest HR 23 juni 1989, NJ 1990, 441 (Kennis/Gem. Budel - in dat arrest werd het feit dat een publiekrechtelijke vergunning tenslotte niet bleek te kunnen worden verkregen niet als beletsel te (hoeven) worden aangemerkt voor een vordering tot schadevergoeding op grond van eerder aan de dag gelegd wederrechtelijk handelen van de gemeente (Budel)), staan beschouwingen in alinea's 12 - 14 van de conclusie voor het aangehaalde arrest van 1 april 2005. Daar wordt ook aandacht besteed aan het verschil in benadering van het hier te onderzoeken probleem als causaliteitsvraag dan wel als vraag van erkenning van niet "legaal" te realiseren voordelen als "schade" (het in alinea's 8 en 9 hiervóór aan de orde zijnde gegeven).
8 Ik gebruik die term ter aanduiding van de procedure die aanvangt met betekening van een schadestaat, nadat in een eerdere (hoofd)procedure een veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat, is uitgesproken. Uit de literatuur leer ik dat deze term ook wel wordt gebruikt ter aanduiding van de hele rechtsgang ter verkrijging van schadevergoeding, op te maken bij staat (dus inclusief wat ik zojuist met de "(hoofd)procedure" bedoelde). Dezelfde literatuur spreekt zich intussen meestal uit voor beperking van het gebruik van deze term tot de "eigenlijke" schadestaatprocedure die volgt op een veroordeling tot schadevergoeding-bij-staat; en bij die aansporing wil ik mij graag aansluiten.
9 HR 14 maart 2003, NJ 2004, 49, rov. 3.3; HR 7 april 2000, NJ 2001, 32 m.nt. DA, rov. 3.10; HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321, rov. 3.6; HR 25 februari 1983, NJ 1983, 696 m.nt. EAAL, rov. 3.5; HR 13 juni 1980, NJ 1981, 185, "O. omtrent middel II"; HR 4 februari 1977, NJ 1977, 425, "O. omtrent onderdeel I"; HR 27 juni 1975, NJ 1976, 159 m.nt. GJS, "O. met betrekking tot het eerste en het vierde onderdeel"; zie ook Wissink, NbBW 1995, afl. 12, p. 138 - 140.
Ik wil niet verhelen dat HR 30 mei 1997, NJ 1998, 381 m.nt. HJS, rov. 3.4 (waaraan in het partijdebat de nodige aandacht is besteed) mij weer aanleiding geeft tot twijfel (deze zaak staat nu eenmaal in dat teken). De overweging kán - inderdaad - zo worden gelezen, dat beoordelingsgronden voor de aansprakelijkheid in de schadestaatprocedure (helemaal) niet mogen worden ingebracht; en die overweging zou, zo gelezen, (enige) steun opleveren voor het standpunt dat de gemeente in cassatie verdedigt. Maar men kan deze rov. ook zo begrijpen, dat het het hof niet vrijstond om een kwestie waarover het oordeel al in de beslissing uit de "hoofdprocedure" besloten lag, in de schadestaatprocedure opnieuw in de beoordeling te betrekken; zie ook alinea's 2.8 - 2.11 van de conclusie van A-G Asser voor dit arrest (die de beoordeling van het hof om beide redenen onjuist acht). Zie ook HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230, rov. 3.3, waarin de Hoge Raad "obiter" aangeeft dat waar de rechter in de "hoofdprocedure" een oordeel over een vraag van schadeverdeling/eigen schuld heeft gegeven, de rechter in de schadestaatprocedure (ook) aan dat oordeel gebonden is.
10 HR 11 januari 2002, NJ 2003, 256 m.nt. HJS, rov. 3.3.4; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 778 ((ook) in cassatie ging het, in het kader van een schadestaatprocedure, vooral om causaliteitsvragen); alinea 44 van de conclusie van A-G Vranken voor HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB; alinea 7 van de noot van Brunner bij HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 289 (m.nt. CJHB); HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321, rov. 3.6 en alinea's 2.18 - 2.20 van de conclusie van A-G Asser voor dit arrest; HR 2 november 1990, NJ 1992, 83 m.nt. HJS, rov. 3.2; Knijp. NbBW 1999 afl. 2, p. 22 - 23.
11 (Lang) niet alle regels van procesrecht hebben deze overwegend pragmatische inslag. Er zijn ook de nodige "principiële" regels van procesrecht, waarbij bijvoorbeeld waarborging van de eerlijke procesgang (met als voornaamste element: waarborging van het deugdelijke horen en adequaat laten reageren van partijen) op de voorgrond staat. Iets dergelijks is echter met de regels betreffende de schadestaatprocedure volgens mij niet aan de hand: daar gaat het inderdaad alleen om een behoorlijk, doelmatige verloop van de procedure.
12 De verhoudingen lagen anders in de zaak die in HR 19 mei 1995, NJ 1995, 531 werd beoordeeld. Daar zou, volgens de stellingen van het middel, een afzonderlijke oorzaak voor (nadere) aansprakelijkheid, pas in de schadestaatprocedure zijn aangevoerd. Die stelling miste overigens blijkens rov. 5.1 op een essentieel punt feitelijke grondslag.