ECLI:NL:PHR:2006:AV2655

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/115HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 2 arbeidsovereenkomstArt. 339 lid 2 RvArt. 402 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over nakoming arbeidsovereenkomst statutair directeur en verbeurde dwangsommen

De zaak betreft een executiegeschil tussen een vennootschap en haar statutair directeur over de vraag of de vennootschap dwangsommen heeft verbeurd wegens niet-nakoming van een eerder kort geding vonnis. De directeur was geschorst, waarna de voorzieningenrechter de vennootschap veroordeelde hem met onmiddellijke ingang toe te laten tot zijn functie met alle bevoegdheden, onder dreiging van een dwangsom.

De vennootschap herstelde de toegang tot het werk direct, maar het herstel van de inschrijving als statutair directeur bij de Kamer van Koophandel en de volmacht bij de bank vond pas na circa twee weken plaats. De directeur stelde dat hierdoor dwangsommen waren verbeurd. Het hof stelde dat deze vertraging niet onredelijk was en dat de directeur niet daadwerkelijk in zijn functioneren was belemmerd.

De Hoge Raad bevestigt dat de vennootschap een permanente verplichting had om de directeur onbelemmerd zijn functie te laten uitoefenen, maar dat dit een abstracte norm is die eerst moet worden geconcretiseerd. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de vennootschap binnen een redelijke termijn de bevoegdheden heeft hersteld en dat de directeur gedurende de vertraging niet belemmerd was. De klachten van de directeur over onredelijkheid en onbegrijpelijkheid van het oordeel worden verworpen.

De Hoge Raad wijst erop dat een dwangsom reeds verbeurd kan zijn bij niet-nakoming, ongeacht schade, maar dat hier de vennootschap heeft voldaan aan haar verplichtingen. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vennootschap geen dwangsommen heeft verbeurd.

Conclusie

C05/115HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 17 februari 2006
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Dit executiegeschil heeft betrekking op de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Op de achtergrond speelt de vraag, welke uitleg moet worden gegeven aan de veroordeling waaraan de dwangsomsanctie was verbonden.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, genoemd in het vonnis in eerste aanleg onder 2.1 - 2.15; zie rov. 1 van het bestreden arrest. In het kort houden zij het volgende in:
1.1.1. Verweerster in cassatie (hierna: de vennootschap) en eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) hebben op 30 november 2000 een arbeidsovereenkomst gesloten, waarbij [eiser] is aangesteld als statutair directeur van de vennootschap.
1.1.2. Op 16 april 2002 is [eiser] met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van de functie van statutair directeur.
1.1.3. [Eiser] heeft naar aanleiding hiervan de vennootschap in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 1 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage de vennootschap veroordeeld om [eiser] volledig in staat te stellen de arbeidsovereenkomst uit te voeren en hem in dat verband toe te laten op het werk, met de bevoegdheden zoals in de arbeidsovereenkomst o.a. in art. 2 omschreven Pro(1), tot het moment waarop de rechtsbetrekking van partijen krachtens deze arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Aan deze veroordeling was een dwangsomsanctie verbonden van € 2.000,- voor iedere dag dat de vennootschap na betekening van het vonnis in gebreke blijft te voldoen aan deze veroordeling en voor elke dag dat de overtreding zich zal voordoen.
1.1.4. Het uittreksel van het audiëntieblad, met daarop de aantekening van voormeld vonnis, is op 1 mei 2002 aan de vennootschap betekend.
1.1.5. Bij brief van 6 mei 2002 heeft de directeur van KSE Groep B.V.(2) aan [betrokkene 1], werkzaam op de afdeling Financial Restructuring van ABN Amro Bank N.V. te Amsterdam, meegedeeld dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [eiser] moet worden toegelaten tot de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat KSE Groep B.V. heeft besloten dit oordeel te respecteren, zodat de schorsing van [eiser] als opgeheven kan worden beschouwd.
1.1.6. Bij een op 7 mei 2002 gedateerde aangetekende brief heeft de directeur van KSE Groep B.V. aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam meegedeeld dat [eiser] per 1 mei 2002 weer als directeur in dienst is van de vennootschap.
1.1.7. Bij brief van 7 mei 2002 heeft de raadsman van [eiser] de raadsman van de vennootschap erop gewezen, dat de machtigingen bij de bank en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel ten onrechte nog niet zijn gerealiseerd en dat hij de rechten van zijn cliënt te dien aanzien voorbehoudt. Bij brief van 8 mei 2002 heeft hij de raadsman van de vennootschap nogmaals hierop gewezen.
1.1.8. Op 13 mei 2002 heeft de Kamer van Koophandel [eiser] wederom als directeur ingeschreven.
1.1.9. Bij faxbericht van 13 mei 2002 heeft een medewerker van ABN Amro Bank N.V. te Gouda aan [eiser] bericht dat de bank tot dat moment geen rechtsgeldig ondertekend document had ontvangen waaruit blijkt dat de eerdere intrekking van de tekenbevoegdheden van [eiser] is opgeheven. Bij brief van 14 mei 2002 heeft de directeur van KSE Groep B.V. aan ABN Amro Bank N.V. te Gouda bericht dat [eiser] volledig bevoegd is voor de vennootschap en dat [betrokkene 1] hiervan bij brief van 6 mei 2002 op de hoogte is gesteld. Op 15 mei 2002 is de tekenbevoegdheid van [eiser] bij het kantoor van ABN Amro Bank N.V. te Gouda hersteld.
1.1.10. Bij exploot van 1 november 2002 heeft [eiser] de vennootschap aangezegd dat zij in gebreke is gebleven met de uitvoering van het vonnis van 1 mei 2002, waardoor de vennootschap € 28.000,- (14 dagen à € 2.000,-) aan dwangsommen heeft verbeurd, met bevel dit bedrag binnen twee dagen aan [eiser] te voldoen.
1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 14 november 2002 heeft de vennootschap [eiser] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage. De vennootschap vordert in dit geding dat [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom zal worden verboden de executie van het kort gedingvonnis van 1 mei 2002 voort te zetten. De vennootschap heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat zij aanstonds en volledig uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 1 mei 2002.
1.3. [Eiser] heeft de vordering bestreden en betoogd dat hij weliswaar tot het werk is toegelaten, maar niet tijdig in al zijn bevoegdheden is hersteld, met name niet waar het betreft zijn inschrijving als statutair directeur van de vennootschap bij de Kamer van Koophandel (eerst per 13 mei 2002) en zijn volmacht om als statutair directeur te kunnen beschikken over de door de vennootschap bij de bank aangehouden rekeningen (eerst per 15 mei 2002).
1.4. Bij vonnis van 31 januari 2003 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vennootschap afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog dat moet worden beoordeeld of het hier handelingen betreft waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het gebod werd gegeven, een inbreuk opleveren op de door de voorzieningenrechter gegeven veroordeling (rov. 4.3). Hiervan is volgens de voorzieningenrechter in het onderhavige geval sprake. Nu de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de genoemde bevoegdheden niet behoren tot de functie van directeur, worden deze geacht onderdeel uit te maken van de in artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst genoemde rechten van de directeur; het niet tijdig herstellen van deze bevoegdheden door de vennootschap vormt derhalve een inbreuk op het gegeven gebod (rov. 4.4).
1.5. De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 21 december 2004 heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van de vennootschap (m.u.v. de dwangsom) alsnog toegewezen(3). Het hof is van oordeel dat, nu de eventuele vertraging in het herstel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel alsmede de volmacht van [eiser] bij de bank slechts van korte duur is geweest en [eiser] niet heeft betwist dat hij als gevolg van deze vertraging daadwerkelijk op generlei wijze is belemmerd in de uitoefening van zijn functie als statutair directeur, de eventuele vertraging niet kan worden aangemerkt als een inbreuk op de door de voorzieningenrechter op 1 mei 2002 gegeven veroordeling (rov. 11).
1.6. [Eiser] heeft - tijdig(4) - beroep in cassatie ingesteld. De vennootschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, gevolgd door re- en dupliek.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. In het onderhavige executiegeschil gaat het om de vraag of de vennootschap naar behoren aan de veroordeling in het vonnis van 1 mei 2002 heeft voldaan en, in verband daarmee, of de vennootschap dwangsommen heeft verbeurd.
2.2. Het hof heeft in rov. 6 voorop gesteld dat de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd in casu dient plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin, dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel(5). Dit uitgangspunt wordt in cassatie niet bestreden. In veel gevallen brengt de aard van het door een verbod te beschermen belang mee dat de omschrijving van het verbod, teneinde dit effectief te doen zijn, slechts kan geschieden in meer algemene termen. De draagwijdte van het verbod moet dan echter beperkt worden geacht tot die handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang tegen aantasting waarvan het verbod is gegeven, inbreuken als door de rechter verboden, opleveren(6). Hiernaast geldt de algemene regel dat een in het dictum van een rechterlijk vonnis neergelegde veroordeling moet worden gelezen in verband met de overwegingen waarop zij steunt(7).
2.3. Het hof heeft de veroordeling van 1 mei 2002 aldus uitgelegd dat de vennootschap gehouden was [eiser] met onmiddellijke ingang toe te laten op het werk en hem in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen (rov. 8). Tegen deze uitleg is in cassatie geen klacht gericht.
2.4. Onderdeel 1 bevat slechts een inleiding. Onderdeel 2.a richt een rechtsklacht tegen rov. 10, waar het hof (onder meer) overwoog:
"Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] binnen een redelijke termijn na voormelde veroordeling deze instanties schriftelijk verzocht één en ander te herstellen, hetgeen op 13 respectievelijk 15 mei 2002 daadwerkelijk is geëffectueerd. In het midden kan blijven of het tijdsverloop tussen de (betekening van de) veroordeling van 1 mei 2002 en het herstel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel op 13 mei 2002 alsmede de volmacht van [eiser] bij de bank op 15 mei 2002 door onvoldoende voortvarend handelen van [verweerster] langer is geweest dan strikt noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof is dit tijdsverloop van circa twee weken - welk tijdsverloop slechts voor een deel aan [verweerster] kan worden toegerekend - niet onredelijk lang geweest."
Volgens het onderdeel miskent het hof dat degene aan wie een dwangsom is opgelegd zo spoedig mogelijk als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd uitvoering dient te geven aan de veroordeling. Bij de beoordeling, of aan de veroordeling is voldaan, is niet beslissend of het tijdsverloop tot de voldoening aan de veroordeling`onredelijk lang is geweest', maar: of al het redelijkerwijs mogelijke is gedaan om aan de veroordeling te voldoen. Subsidiair is een motiveringsklacht toegevoegd.
2.5. In de redenering van het hof omvat de veroordeling in het vonnis van 1 mei 2002 twee componenten: de vennootschap diende, met onmiddellijke ingang, [eiser] toe te laten tot het werk en hem ook in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen. In cassatie staat vast dat de vennootschap [eiser] terstond weer op het werk heeft toegelaten (zie rov. 9, in cassatie niet bestreden). De discussie in cassatie gaat uitsluitend over de vraag of [eiser] door de vennootschap in staat is gesteld zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen. Dit is een abstract geformuleerde norm, die voor het concrete geval moet worden ingevuld.
2.6. De verplichting van de vennootschap om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, [eiser] in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen gold vanaf het vonnis van 1 mei 2002. Deze verplichting is niet eenmalig, maar is een permanente verplichting in die zin dat zij voortduurt zolang de dienstbetrekking tussen partijen blijft bestaan. Daarmee is niet gezegd dat sprake is van een overtreding van het rechterlijk bevel wanneer al hetgeen deel uitmaakt van een volledige en onbelemmerde functie-uitoefening niet op of onmiddellijk na 1 mei 2002 is geschied. Dit laat zich met behulp van een eenvoudig voorbeeld illustreren.
2.7. Stel, bijvoorbeeld, dat tot de normale taken van de statutair directeur behoort het deelnemen aan een stafvergadering eenmaal in de veertien dagen, of het bijwonen van de algemene vergadering van aandeelhouders, dan brengt een veroordeling als die in de hoofdzaak mee dat, zodra zo'n stafvergadering of vergadering van aandeelhouders wordt gehouden, de vennootschap [eiser] toelaat tot die vergadering. Die verplichting gaat vanaf het veroordelend vonnis onmiddellijk in. Wanneer [eiser] enkele dagen na het vonnis zou stellen dat dwangsommen verbeurd zijn omdat hij nog steeds niet tot een stafvergadering of aandeelhoudersvergadering is toegelaten, is een tussenstap nodig. De rechter zal dan onderzoeken of er wel een stafvergadering of aandeelhoudersvergadering is gehouden of had moeten plaatsvinden. Anders gezegd: de abstracte verplichting om [eiser] in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen moet eerst worden geconcretiseerd.
2.8. Zo ook in dit geval. Het hof is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat de voortdurende en abstracte verplichting van de vennootschap om [eiser] in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen moet worden geconcretiseerd, alvorens beslist kan worden over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Het hof heeft kennelijk voor ogen dat de veroordeling, ten aanzien van het herstel van de inschrijving van [eiser] in de registers van de Kamer van Koophandel (KvK) als statutair directeur van de vennootschap en het herstel van diens tekenbevoegdheid bij de bank, gepreciseerd moet worden en alsdan uitmondt in een verplichting voor de vennootschap om het herstel binnen een redelijke termijn in orde te maken. Voor zover uit de gedingstukken blijkt, is (de termijn van) het herstel van de inschrijving bij de KvK en van de tekenbevoegdheid bij de bank als zodanig niet een voorwerp van discussie geweest in de procedure die tot de veroordeling met dwangsomsanctie heeft geleid. Vervolgens heeft het hof de handelwijze van de vennootschap getoetst aan de veroordeling in het vonnis van 1 mei 2002. Het hof is van oordeel dat de vennootschap binnen een redelijke termijn aan de KvK resp. de bank heeft verzocht om een en ander in orde te maken. Het hof heeft overwogen dat de vennootschap voor het herstel van de inschrijving en de administratie van de tekenbevoegdheid afhankelijk was van de medewerking van de KvK respectievelijk van de bank. Het tijdsverloop van circa twee weken om het herstel te realiseren - nog daargelaten aan wie dit tijdsverloop kan worden toegerekend - heeft het hof niet onredelijk lang geacht. Aldus heeft de vennootschap, in de redenering van het hof, voldaan aan de verplichting die op dit punt voor haar uit het vonnis van 1 mei 2002 voortvloeide.
2.9. Bovendien heeft het hof zijn oordeel onderbouwd met de omstandigheid dat de vennootschap onbetwist heeft gesteld dat [eiser] gedurende deze twee weken geen belemmering of beperking heeft ondervonden in zijn functioneren als statutair directeur door de tijdelijke uitschrijving bij de KvK noch door het tijdelijk ontbreken van de volmacht bij de bank(8). In de redenering van het hof heeft de vennootschap [eiser] gedurende deze periode van circa twee weken de facto in staat gesteld zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, moet hieruit worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat de vennootschap in deze periode wél het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om aan de veroordeling (zoals door het hof uitgelegd) te voldoen. Kortom, het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
2.10. Onderdeel 2.b klaagt over onbegrijpelijkheid van 's hofs oordeel dat het tijdsverloop tussen de (betekening van de) veroordeling van 1 mei 2002 en het herstel van de bevoegdheden van [eiser] niet onredelijk lang is geweest. Het onderdeel wijst daartoe op de omstandigheid dat (a) het hof de veroordeling van de voorzieningenrechter aldus uitlegt dat [eiser] met onmiddellijke ingang diende te worden toegelaten tot het werk en in staat diende te worden gesteld zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen alsmede dat (b) vast staat dat [eiser] meergenoemde bevoegdheden vóór zijn schorsing wel had en deze bevoegdheden geacht moeten worden deel uit te maken van de in artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst genoemde rechten van de directeur.
2.11. Deze motiveringsklacht faalt om dezelfde redenen als de klacht van onderdeel 2.a. Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat [eiser] op grond van (art. 2 van Pro) zijn arbeidsovereenkomst er recht op heeft dat hij zijn bevoegdheden als statutair directeur onbelemmerd kan uitoefenen, en dat daarvoor nodig is dat hij in het handelsregister bij de KvK als zodanig is ingeschreven en beschikt over een volmacht bij de bank van de vennootschap, is daarmee niet in tegenspraak dat het hof oordeelt dat de verwezenlijking van het herstel van die inschrijving resp. van het herstel van de tekenbevoegdheid bij de bank dient te geschieden binnen een redelijke termijn na het vonnis.
2.12. Onderdeel 3.a richt een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 10 (vervolg):
"Daar komt nog bij dat [verweerster] onbetwist heeft gesteld dat noch de tijdelijke uitschrijving bij de Kamer van Koophandel als statutair directeur noch het tijdelijk ontbreken van de volmacht bij de bank enige belemmering of beperking heeft gevormd voor het volledig en onbelemmerd kunnen functioneren van [eiser] gedurende deze twee weken."
en tegen de gevolgtrekking in rov. 11:
"Nu de eventuele vertraging in het herstel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel alsmede de volmacht van [eiser] bij de bank derhalve naar het oordeel van het hof slechts van korte duur is geweest, en [eiser] niet heeft betwist dat hij als gevolg van deze vertraging daadwerkelijk op generlei wijze is belemmerd in de uitoefening van zijn functie als statutair directeur van [verweerster], is het hof van oordeel dat deze eventuele vertraging niet kan worden aangemerkt als een inbreuk op de door de voorzieningenrechter op 1 mei 2002 gegeven veroordeling."
Volgens het onderdeel miskent het hof aldus dat een dwangsom reeds wordt verbeurd door het enkele feit dat een veroordeling niet is nageleefd; in beginsel is niet vereist dat blijkt dat de wederpartij door het niet-naleven van de veroordeling enige schade heeft geleden of enig nadeel heeft ondervonden.
2.13. Op zich is juist dat een dwangsom reeds wordt verbeurd door de enkele niet-nakoming van een veroordeling. Niet is vereist dat daardoor schade of enig nadeel is ontstaan bij de wederpartij. Een dwangsom moet immers niet gezien worden als een vorm van schadevergoeding, maar is bedoeld als een prikkel voor de veroordeelde tot nakoming van de veroordeling(9). M.i. heeft het hof dit niet miskend. Het hof is immers van oordeel dat de vennootschap wél aan de veroordeling heeft voldaan, nu zij [eiser] onmiddellijk heeft toegelaten tot het werk en hem binnen een redelijke termijn in zijn bevoegdheden heeft hersteld terwijl [eiser] bovendien gedurende die termijn niet is belemmerd in de uitoefening van zijn functie. Het hof heeft niet overwogen dat de vennootschap, ondanks de niet-nakoming van het vonnis, geen dwangsom is verschuldigd omdat hierdoor geen schade/nadeel aan de zijde van [eiser] is ontstaan.
2.14. In onderdeel 3.b wordt geklaagd dat, indien het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat ook bij het (tijdelijk) ontbreken van de bevoegdheden sprake is geweest van een 'toelating zonder belemmeringen of beperkingen' van [eiser] tot het werk, dit oordeel onbegrijpelijk is. Immers, de veroordeling hield in dat [eiser] volledig in staat diende te worden gesteld de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst uit te voeren, mét de bevoegdheden zoals onder andere in artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst nader omschreven. Ook het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat [eiser] in meergenoemde bevoegdheden diende te worden hersteld. Volgens het onderdeel is, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk waarom het gedurende twee weken niet herstellen van deze bevoegdheden geen inbreuk op de veroordeling van de voorzieningenrechter oplevert.
2.15. Ook deze klacht leidt niet tot cassatie. Het hof heeft zijn oordeel dat de vennootschap geen inbreuk heeft gemaakt op de veroordeling van 1 mei 2002 immers niet alleen gegrond op de omstandigheid dat ondanks het tijdelijk ontbreken van de bevoegdheden [eiser] volledig en onbelemmerd heeft kunnen functioneren, maar ook op de omstandigheid dat de eventuele vertraging in het herstel van die bevoegdheden slechts van korte duur is geweest. Beide omstandigheden zijn derhalve dragend voor het oordeel dat de vennootschap heeft voldaan aan de veroordeling om [eiser] in staat te stellen zijn functie als statutair directeur volledig en zonder belemmeringen of beperkingen uit te oefenen.
2.16. Onderdeel 3.c klaagt, subsidiair, dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom [eiser] door het ontbreken van meergenoemde bevoegdheden niet in zijn functioneren als statutair directeur zou zijn belemmerd: vast staat immers dat [eiser] vóór zijn schorsing over deze bevoegdheden beschikte en dat deze bevoegdheden deel uitmaakten van de ingevolge zijn arbeidsovereenkomst aan hem als statutair directeur toekomende bevoegdheden.
2.17. Anders dan dit onderdeel suggereert, heeft het hof (slechts) overwogen dat noch de tijdelijke uitschrijving bij de Kamer van Koophandel noch het tijdelijk ontbreken van de volmacht bij de bank daadwerkelijk enige belemmering of beperking heeft gevormd voor het volledig en onbelemmerd functioneren van [eiser] gedurende deze twee weken. Nu de vennootschap zulks had gesteld en dit niet door [eiser] is bestreden, mocht het hof van de juistheid van die stelling uitgaan. Het oordeel is niet onvoldoende gemotiveerd.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Art. 2 houdt Pro voor zover van belang in: "De directeur heeft als directeur der vennootschap alle rechten en verplichtingen die ingevolge de wet, de statuten der vennootschap en de besluiten en richtlijnen van de bevoegde organen der vennootschap aan de directeur zijn toegekend, respectievelijk opgelegd."
2 KSE Groep B.V. is aandeelhoudster van [verweerster], die op haar beurt enig aandeelhoudster van de vennootschap is.
3 De vennootschap heeft haar eis in hoger beroep vermeerderd in die zin dat zij tevens terugbetaling heeft gevorderd van hetgeen [eiser] bij de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 mei 2002 reeds ten laste van de vennootschap mocht hebben geïncasseerd.
4 De cassatietermijn in kort geding bedraagt op grond van art. 339 lid 2 jo Pro. 402 lid 2 Rv acht weken.
5 Zie voor deze maatstaf: HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652 m.nt. HER en HR 15 november 2002, NJ 2004, 410.
6 Zie: HR 3 januari 1964 (Lexington), NJ 1964, 445 m.nt. GJS en HR 18 februari 1966, NJ 1966, 208 m.nt. GJS. Ik vermeld ook deze maatstaf, omdat het vonnis in eerste aanleg hem hanteert. In zijn conclusie voor HR 20 december 2002, LJN-nr. AF0134 (onder 2.2 en 2.3) is A-G Bakels ingegaan op de vraag hoe deze twee uitlegregels zich tot elkaar verhouden, met verdere vindplaatsen aldaar. Hij betoogt dat sprake moet zijn van een glijdende overgang in die zin dat hoe concreter het bevel of verbod is geformuleerd, des te minder behoefte bestaat aan het tegenwicht van de beperkende interpretatieregel en des te minder marge dus toekomt aan de veroordeelde.
7 Vaste rechtspraak, zie o.m.: HR 25 februari 1994, NJ 1996, 362; HR 7 oktober 1994, NJ 1996, 363; HR 23 januari 1998, NJ 2000, 544; HR 4 februari 2005, JAR 2005, 51.
8 Zie hierover ook onderdeel 3.
9 O.a.: Losbladige Rechtsvordering (A.I.M. van Mierlo), aant. 4 (Inleiding Boek II, titel 5, afdeling 3); Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, blz. 406; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, blz. 259.