ECLI:NL:PHR:2006:AV4010

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00715/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 lid 1 SvArt. 432 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn bij gemachtigde raadsman

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verzoeker is veroordeeld voor diefstal gevolgd door bedreiging met geweld. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 januari 2005, terwijl de termijn voor het instellen van cassatie op 10 januari 2005 eindigde.

Hoewel verzoeker zich ter terechtzitting van 13 december 2004 heeft laten verdedigen door een gemachtigde raadsman, is het beroep te laat ingediend. De Hoge Raad overweegt dat de termijn van veertien dagen strikt geldt en dat de laatste dag geen algemeen erkende feestdag was, zodat de termijn niet kon worden verlengd.

De Procureur-Generaal merkt op dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de overschrijding van de termijn. Een inhoudelijke beoordeling van het ingebrachte cassatiemiddel is niet aan de orde, omdat het beroep niet-ontvankelijk is.

Deze uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van termijnen bij cassatieprocedures, ook wanneer een gemachtigde raadsman optreedt.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

Griffienr. 00715/05
Mr. Wortel
Zitting:28 februari 2006
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. A. Arslan, advocaat te Zwolle, bij schriftuur één cassatiemiddel voorgesteld, waarin wordt betoogd dat het Hof niet de vrijheid had om, naar aanleiding van een verweer betreffende de geldigheid van de inleidende dagvaarding, een onjuiste datum op een akte van uitreiking als een kennelijke misslag te beschouwen.
3. Zou ik aan bespreking van dat middel toe kunnen komen, dan zou ik opmerken dat niet valt in te zien welke rechtsnorm door die verbeterde lezing is geschonden, terwijl het Hof daarvoor begrijpelijke argumenten heeft genoemd.
4. Aan het middel kom ik evenwel niet toe, aangezien het cassatieberoep één dag te laat is ingesteld. De bestreden uitspraak is na een behandeling op tegenspraak - namelijk in bijzijn van een door verzoeker gemachtigde raadsman, vgl. HR NJ 2003, 390 - gewezen op 27 december 2004. Derhalve was 10 januari 2005 - een maandag, niet zijnde (gelijkgesteld aan) een algemeen erkende feestdag - de laatste dag voor het instellen van cassatie, vgl. art. 432, eerste lid, aanhef en onder b, Sv.
Dit beroep is evenwel op 11 januari 2005 ingesteld.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker in dit beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,