ECLI:NL:PHR:2006:AV4112
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaarschrift tegen dagvaarding in belastingfraudezaak en toepassing inkeerbepaling
In deze zaak is een bezwaarschrift tegen een dagvaarding wegens belastingfraude door een sportvereniging behandeld. Verzoeker, betrokken bij het bestuur, werd verdacht van het geven van opdracht tot of feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften loonbelasting en omzetbelasting. Tijdens een invorderingsonderzoek gaf verzoeker aan dat er ten onrechte nihil-aangiften waren gedaan en overhandigde administratieve bescheiden aan de belastingdienst.
Het hof stelde vast dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van het bezwaarschrift slechts summier van aard is. Het hof oordeelde dat de omstandigheden waaronder verzoeker aanvullende informatie verstrekte niet zonder meer kunnen worden aangemerkt als tijdige en effectieve inkeer in de zin van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het tijdstip van verstrekking van de informatie, namelijk nadat het invorderingsonderzoek al was gestart, en de aard van de mededelingen rechtvaardigen volgens het hof niet de conclusie dat sprake is van inkeer.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard, omdat het niet aannemelijk is dat de strafrechter later het beroep op de inkeerbepaling zal honoreren. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard.