ECLI:NL:PHR:2006:AV4144
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over strafrechtelijke vervolging en bewijsgebruik van BVD-materiaal in terrorismezaak
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de vervolgbaarheid van deelneming aan een criminele organisatie door een buitenlander, waarbij ook gedragingen buiten Nederland zijn gepleegd, en bevestigt dat de Nederlandse strafwet hierop van toepassing is. Tevens wordt het vereiste opzet bij deelneming aan een organisatie besproken: het is voldoende dat de verdachte in algemene zin weet dat de organisatie misdrijven beoogt, zonder dat hij opzet hoeft te hebben op alle concrete misdrijven.
De zaak behandelt ook de problematiek rond het gebruik van door de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) verzamelde informatie in het strafproces. De Hoge Raad bevestigt dat de BVD gebonden is aan wettelijke kaders en dat er beperkte rechterlijke toetsing is op de activiteiten van de BVD, waarbij het vertrouwensbeginsel tussen BVD en justitie geldt. Hoewel de wettelijke basis voor sommige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer ontbrak, leidt dit niet automatisch tot bewijsuitsluiting, mits geen ernstige schending van procesrechten is vastgesteld.
Verder wordt ingegaan op de verhouding tussen het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Nederlandse wetgeving, met name artikel 8 EVRM Pro over privacy en artikel 6 EVRM Pro over een eerlijk proces. De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die stelt dat schendingen van artikel 8 EVRM Pro niet per definitie leiden tot schending van artikel 6 EVRM Pro. Tenslotte wordt vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.