ECLI:NL:PHR:2006:AV4149
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over verhouding BVD-onderzoek en strafrechtelijk bewijs in terrorismezaak
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de verhouding tussen het onderzoek van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en het strafrechtelijk onderzoek in een terrorismezaak. De Raad bespreekt de mate van controle die de strafrechter heeft op door de BVD verzameld materiaal en de toelaatbaarheid van dat materiaal als bewijs in het strafproces.
De verdediging voerde aan dat publieke uitlatingen van ministers het recht op een eerlijk proces en de onschuldpresumptie schonden, en dat het gebruik van BVD-materiaal onrechtmatig was vanwege onvoldoende wettelijke grondslag en gebrek aan toetsing. De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en concludeert dat de uitlatingen van ministers niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (OM) leiden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de verdediging niet het recht heeft op inzage in alle door de BVD afgeluisterde telefoongesprekken, omdat deze niet tot het strafdossier behoren en de BVD een geheimhoudingsplicht heeft. Het hof heeft de selectie van relevante gesprekken door de BVD en het OM als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De wettelijke regeling voor BVD-taps was lacuneus, maar dit leidde niet tot schending van artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad bevestigt dat BVD en OM gescheiden taken hebben en dat voortgezet onderzoek door de BVD naast het strafrechtelijk onderzoek is toegestaan.
De Hoge Raad concludeert dat ondanks de gebrekkige wettelijke basis voor BVD-onderzoek, het strafproces eerlijk is verlopen, dat het gebruikte bewijs toelaatbaar is, en dat de verzoeken van de verdediging tot bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid van het OM ongegrond zijn.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid van BVD-materiaal en wijst klachten over schending EVRM-rechten af.