ECLI:NL:PHR:2006:AV4159

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01616/05 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b.1.4 SrArt. 552a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onttrekking aan het verkeer van voertuigen met vals VIN-nummer

In deze zaak stond de onttrekking aan het verkeer van zes gebruikte Austin Mini personenauto's centraal, omdat deze voertuigen waren voorzien van valse voertuigidentificatienummers (VIN). De Rechtbank Rotterdam had de onttrekking aan het verkeer bevolen op grond van het feit dat de VIN-nummers niet origineel waren aangebracht door de fabrikant of een bevoegde instantie, wat in strijd is met het algemeen belang.

Verzoeker, gespecialiseerd in restauratie van dergelijke auto's, stelde dat de inbeslagname onrechtmatig was omdat de auto's niet gestolen waren, niet van een kenteken waren voorzien vanwege uitvoer naar de Verenigde Staten, en dat de politie geen pogingen had gedaan om de identiteit van de voertuigen vast te stellen. Tevens werd aangevoerd dat verzoeker niet op de hoogte was gesteld van de beslaglegging.

De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank de onttrekking aan het verkeer terecht had bevolen en dat het cassatieberoep faalt. De klacht dat de Rechtbank de beslissing ten onrechte had gebaseerd op de onttrekking aan het verkeer werd verworpen, evenals de overige middelen die zich richtten op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de rechtmatigheid van het beslag. Het beklag tot teruggave werd ongegrond verklaard omdat de onttrekking aan het verkeer de grondslag voor teruggave wegnam.

De Hoge Raad concludeerde dat, ook indien motiveringsgebreken in de beschikking tot onttrekking aan het verkeer zouden bestaan, deze niet tot vernietiging leiden omdat tegen die beschikking geen cassatieberoep was ingesteld. Het beroep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de onttrekking aan het verkeer van de voertuigen blijft in stand.

Conclusie

01616/05 B
Mr. Wortel
Zitting:28 maart 2006
(Nadere conclusie) inzake:
[klager]
1. Inzake het cassatieberoep met het tweede hierboven genoemde griffienummer heb ik ter zitting van 28 februari jongstleden geconcludeerd, waarbij ik ervan uitging dat alleen tegen een beschikking tot afwijzing van een klaagschrift (strekkende tot teruggave van inbeslaggenomen auto's) cassatie was ingesteld, maar niet tegen een gelijktijdig gewezen beschikking tot onttrekking aan het verkeer (van diezelfde auto's).
In een schriftelijke reactie op die conclusie wees mr. Van Beek, die in deze procedure voor verzoeker optreedt, er op dat tegen de beide beschikkingen cassatieberoep is ingesteld, en inzake beide beroepen een schriftuur is ingediend. Het beroep tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer was hier aanvankelijk niet onderkend, en is thans ingeschreven onder het eerste hierboven genoemde griffienummer.
Ik concludeer nu voor het eerst inzake dat beroep, en aanvullend inzake griffienr 01616/05B.
De beschikking tot onttrekking aan het verkeer, op vordering van het Openbaar Ministerie (griffienummer 00614/06B)
2. De Rechtbank heeft op vordering van het Openbaar Ministerie zes gebruikte personenauto's, van het merk en type Austin Mini, aan het verkeer onttrokken. Daartoe overwoog de Rechtbank dat de zes auto's zijn voorzien van een vals VIN-nummer (voertuig identificatie nummer), aangezien niet is voldaan aan de eis dat een VIN-nummer hetzij door de fabrikant, hetzij door een bevoegde instantie moet zijn aangebracht, terwijl in de rechtspraak is bepaald dat het ongecontroleerd bezit van voertuigen met een vals VIN-nummer in strijd is met het algemeen belang.
3. Blijkens het verhandelde in raadkamer heeft verzoeker zich toegelegd op de restauratie van zulke auto's, waarbij hij veelal uit verschillende aangekochte (in slechte staat verkerende) auto's één gerestaureerde auto samenstelt. Uit het verhandelde in raadkamer valt voorts af te leiden dat de zes auto's waarom het in deze zaak gaat zijn inbeslaggenomen terwijl zij gereedstonden voor verzending naar de Verenigde Staten.
4. In algemene zin merk ik op dat in de toelichting op de middelen omstandiger verweer wordt gevoerd dan - blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal en de overgelegde pleitaantekeningen - bij de behandeling in raadkamer is geschied. Cassatieberoep kan alleen betrekking hebben op de beslissingen naar aanleiding van hetgeen in feitelijke aanleg werd aangevoerd. Wat de feiten betreft richt ik mij dus uitsluitend op hetgeen te vinden is in het klaagschrift, de processen-verbaal van behandeling in raadkamer en de overgelegde pleitaantekeningen.
5. Het eerste middel behelst de klacht dat ten onrechte (en impliciet) het verweer is verworpen dat er geen grond voor de inbeslagneming is geweest, en die inbeslagneming ook overigens onrechtmatig was.
6. Het verweer kwam er op neer dat er geen enkele aanwijzing is dat de betreffende auto's of onderdelen daarvan van diefstal afkomstig zijn, of op onrechtmatige wijze verkregen; dat de auto's niet van een kenteken waren voorzien omdat zij naar de Verenigde Staten zouden worden uitgevoerd alwaar zij gekeurd zouden moeten worden, en dat de politie geen enkele poging heeft gedaan de identiteit van de auto's te achterhalen, ofschoon verzoeker die moeiteloos had kunnen aantonen. Voorts is nagelaten verzoeker op de hoogte te brengen van de inbeslagneming, en heeft de politie het ten onrechte voorgesteld alsof de rechthebbende niet te achterhalen was, aangezien van meet af aan bekend was wie de verzender van de auto's was.
7. Dit verweer doet, indien juist, niet af aan het oordeel van de Rechtbank dat de auto's waren voorzien van een VIN dat niet het originele door de fabrikant aangebrachte, danwel door een bevoegde instantie (nadien) ingeslagen kenmerk was.
Gegrondbevinding van het verweer zou dus niet tot een andere uitspraak hebben geleid. Daarop moet het middel afstuiten.
8. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer nietig, althans niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat in die vordering geen deugdelijke grond is genoemd, en voorts ten onrechte is vermeld dat niet bekend is aan wie het inbeslaggenomene toebehoort.
9. Dit verweer (dat overigens zinledig zou zijn voor zover het de geldigheid van de vordering betreft) is niet in herkenbare vorm terug te vinden in de processen-verbaal van behandeling in raadkamer of in de aldaar overgelegde pleitaantekeningen.
Reeds daarom faalt het middel.
10. Het derde middel bevat de klacht dat de Rechtbank de officier van justitie ten onrechte in de vordering ontvankelijk heeft verklaard, aangezien nergens uit blijkt dat het Openbaar Ministerie niet voornemens was verzoeker te vervolgen.
11. Het is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer aldus heeft verstaan dat geen (verdere) vervolging zal worden ingesteld. Indien (verdere) vervolging wordt beoogd zal een dergelijke vordering immers niet gedaan (kunnen) worden.
Ook dit middel faalt.
12. Het vijfde middel bevat de klacht dat ten onrechte het verweer is verworpen dat het beslag nietig moet worden verklaard, en daarmee tevens het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot onttrekking aan het verkeer moet worden verklaard, wegens de onbehoorlijke wijze waarop verzoeker (in verband met de beslaglegging) is bejegend.
13. Het middel moet het lot van het tweede middel delen: voor zover uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken valt op te maken is namens verzoeker verzocht om een last tot teruggave, en betoogd dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer (dus) moet worden afgewezen, maar er blijkt niet dat een beslissing is gevraagd als in dit middel genoemd.
Nader aangaande de beschikking tot afwijzing van het beklag (griffienummer 01616/05)
14. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank de nu bestreden beslissing ten onrechte heeft doen steunen op de gelijktijdig uitgesproken onttrekking aan het verkeer, aangezien die laatste beslissing op onjuiste of ontoereikende gronden is genomen.
De overige middelen zijn een herhaling van de klachten die tegen de beslissing tot onttrekking aan het verkeer zijn opgeworpen.
15. Aangezien de beschikking tot onttrekking aan het verkeer naar mijn oordeel in stand kan blijven faalt het eerste middel. De overige middelen keren zich niet rechtstreeks tegen de hier bestreden afwijzing van het klaagschrift en behoeven daarom geen bespreking.
16. De middelen inzake het cassatieberoep tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer en het eerste middel inzake de afwijzing van het klaagschrift lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering. Aan de overige middelen die tegen de afwijzing van het klaagschrift zijn voorgesteld kan worden voorbijgegaan.
17. Deze (ten dele aanvullende) conclusie strekt tot verwerping van de beroepen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Griffienr. 01616/05 B
Mr. Wortel
Zitting:28 februari 2006
Conclusie inzake:
[klager]
1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam waarbij een namens verzoeker ingediend beklag, strekkende tot teruggave aan hem van zes personenauto's, ongegrond is verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.J. van Beek, advocaat te Enschedé, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. De bovengenoemde beslissing heeft de Rechtbank bereikt, overwegende dat teruggave van het inbeslaggenomene niet meer mogelijk is aangezien bij afzonderlijke beschikking op vordering van het Openbaar Ministerie de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomene is gelast.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank de nu bestreden beslissing ten onrechte heeft doen steunen op de gelijktijdig uitgesproken onttrekking aan het verkeer, aangezien die laatste beslissing op onjuiste of ontoereikende gronden is genomen.
Het tweede, derde, en vijfde middel behelzen telkens de klacht dat de Rechtbank niet heeft beslist op een bepaald verweer, welke verweren er kort gezegd op neerkwamen dat het beslag onrechtmatig is gelegd en/of daarvoor geen grond aanwezig is geweest.
Het vierde middel bevat de klacht dat de officier van justitie in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
5. De merkwaardige omstandigheid doet zich voor dat - voor zover ik kon nagaan - alleen tegen de beschikking tot ongegrondverklaring cassatie is ingesteld. Kennelijk is geen rechtsmiddel aangewend tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer. Daarom moet worden aangenomen dat de beschikking tot onttrekking aan het verkeer in stand is gebleven. Zelfs als daarin motiveringsgebreken zouden voorkomen, kan derhalve niet worden vastgesteld dat de grondslag aan de hier bestreden beschikking komt te ontvallen. Daarop moet het eerste middel afstuiten.
6. In ieder geval is de beschikking tot onttrekking aan het verkeer niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen. Daarom behoeven de overige middelen geen bespreking.
7. Het eerste middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering en de andere middelen behoeven geen bespreking.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,