Art. 6 EVRMArt. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8, tweede lid Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Redelijke termijn overschrijding bij rijden onder invloed met ongeval
De zaak betreft een verdachte die op 16 juni 2001 onder invloed van alcohol een verkeersongeval veroorzaakte waarbij een ander lichamelijk letsel opliep. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden, maar vond dat dit niet tot strafvermindering hoefde te leiden vanwege de lichte overschrijding, de voortvarende behandeling in hoger beroep, de ernst van het feit en recidive.
De Hoge Raad oordeelt dat de motivering van het hof onvoldoende is, omdat de genoemde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn die het achterwege laten van strafvermindering rechtvaardigen. Wel erkent de Hoge Raad dat de totale duur van de procedure en de voortvarendheid in hoger beroep meegewogen kunnen worden, maar dat dit niet zonder meer de overschrijding in eerste aanleg compenseert.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de overschrijding in eerste aanleg ongeveer drie maanden bedroeg, waarbij een deel van de vertraging aan de verdachte kan worden toegerekend. De Hoge Raad wijst erop dat factoren zoals de ernst van het feit en recidive wel bij strafoplegging horen, maar niet bij de beoordeling van de gevolgen van termijnoverschrijding.
Ten slotte wordt geoordeeld dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, wat wel tot strafvermindering moet leiden. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de straf, maar verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De strafoplegging wordt verminderd wegens overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, ondanks lichte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Conclusie
Nr. 02269/05
Mr. Knigge
Zitting: 7 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens het "als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl degene die schuldig is aan dit feit verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte heeft mr. Röttgering, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst twee klachten. De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van het Hof dat de geconstateerde schending van de redelijke termijn niet tot strafvermindering behoeft te leiden, en tegen de motivering daarvan. De tweede klacht houdt in dat inzendtermijn in cassatie is overschreden.
4. Ik begin met de eerste klacht. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 16 juni 2001 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadionweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoordeelkundig, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, [slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, immers heeft [slachtoffer] voornoemd tot december 2001 niet kunnen werken en is hij pas een jaar na het ongeval weer volledig gaan werken, bestaande dat gedrag hieruit:
hij, verdachte heeft toen aldaar als bestuurder van die personenauto, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, gereden over de Stadionweg, komende uit de richting van de Apollolaan en gaande in de richting van de T-kruising de Hobbemakade en de Van Hillegaertstraat in welke door hem, verdachte bereden weg een bocht naar rechts is gelegen;
hij verdachte, is toen met een snelheid welke te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse die bocht ingereden en in plaats van de bocht naar rechts te blijven volgen is hij, verdachte, met die personenauto rechtdoor gereden en is vervolgens met die personenauto over een in het midden van de Stadionweg gelegen vluchtheuvel gereden; vervolgens is hij, verdachte, met die personenauto op het weggedeelte van de Stadionweg bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, alwaar hij in botsing is gekomen met een hem aldaar tegemoetrijdende personenauto, bestuurd door [slachtoffer] voornoemd, zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994, immers bleek bij een onderzoek als bedoeld in genoemd artikel, het alcoholgehalte van zijn, verdachte's bloed 0,89 milligram alcohol per milliliter bloed te zijn."
5. Het Hof heeft ten aanzien van de strafoplegging, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
"Het Hof heeft (...) vastgesteld dat er sprake is van (enige) overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg. Nu evenwel de redelijke termijn slechts in lichte mate is overschreden en uit de totale duur van de berechting in twee instanties blijkt dat overigens voldoende voortvarend is gehandeld bij de afdoening van de strafzaak, zal het hof, mede gelet op de aard en [de] ernst van het feit en in aanmerking genomen dat de verdachte zich na onderhavige zaak wederom heeft schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol, volstaan met het constateren van voormelde overschrijding."
6. De klacht richt zich allereerst tegen 's Hofs overweging dat in eerste aanleg "de redelijke termijn slechts in lichte mate is overschreden".
7. De steller van het middel gaat er vanuit dat de redelijke termijn met bijna zes maanden is overschreden. Of dat ook het - inderdaad niet nader gemotiveerde - oordeel van het Hof is geweest, lijkt mij de vraag. Ik wijs daarbij op het volgende.
8. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof - in navolging van de Rechtbank - de datum waarop het bewezenverklaarde delict is gepleegd (en waarop de verdachte is aangehouden), te weten 16 juni 2001, aangemerkt als tijdstip waarop de redelijke termijn is aangevangen, en als eindpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg de datum waarop de Rechtbank vonnis heeft gewezen, te weten 27 november 2003.(1) De zaak heeft derhalve in eerste aanleg twee jaren en ruim vijf maanden geduurd.
9. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is onder meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak en van de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.(2) Bijzondere omstandigheden die de lange duur van het vooronderzoek zouden kunnen rechtvaardigen, zijn door het Hof niet (expliciet) vastgesteld. Wellicht heeft het Hof rekening gehouden met de uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken volgende omstandigheid dat in de onderhavige zaak in het voorbereidend onderzoek onder meer tijd is verstreken doordat op 17 september 2002 aan het NFI om het doen van nader onderzoek is verzocht naar aanleiding waarvan op 7 april 2003 werd gerapporteerd.(3) Daarnaast is van belang dat uit de aan de Hoge Raad verzonden stukken volgt dat in de onderhavige zaak in het voorbereidend onderzoek onderzoek verdachtes raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 augustus 2003 om aanhouding heeft verzocht, vanwege de omstandigheid dat hij pas de dag vóór de zitting op de hoogte is gebracht van de zaak en het dossier nog niet had gezien. De Rechtbank heeft naar aanleiding van dit verzoek de behandeling van de zaak geschorst tot 13 november 2003. Kennelijk heeft het Hof - gelijk het kon doen - de (bijna drie maanden) vertraging die het honoreren van dit verzoek tot gevolg heeft gehad voor rekening van de verdachte gebracht.(4) Dit acht ik niet onbegrijpelijk, nu de dagvaarding voor deze zitting reeds op 4 juli 2003 aan de (destijds in het buitenland woonachtige) verdachte was betekend.
10. Trekt men de bijna drie maanden af van de ruim twee jaar en vijf maanden, dan resteert een - niet aan de verdachte toe te rekenen - tijdsverloop van twee jaar en bijna drie maanden voor de behandeling in eerste aanleg. Dat is ten opzichte van het uitgangspunt van twee jaar dus bijna drie maanden te lang. Neemt men evenwel in aanmerking dat het NFI-onderzoek ongeveer zeven maanden in beslag heeft genomen, dan zou het oordeel van het Hof dat van onredelijke vertraging geen sprake is geweest, wellicht niet onbegrijpelijk zijn geweest. In elk geval getuigt 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval de redelijke termijn slechts in lichte mate is overschreden, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
11. Ik merk overigens op dat de vraag of de overschrijding zoals die naar het oordeel van het Hof heeft plaatsgevonden, als "licht" kan worden gekwalificeerd, zelfstandige betekenis mist. Het gaat uiteindelijk om het rechtsgevolg dat aan de overschrijding dient te worden verbonden. Tegen het oordeel van het Hof op dat punt richt zich de klacht. Bij de beoordeling van die klacht wreekt zich dat het Hof niet nauwkeurig heeft vastgesteld hoe groot de overschrijding is geweest. Nu moet in cassatie het uitgangspunt zijn dat de overschrijding naar het oordeel van het Hof niet meer dan bijna drie maanden bedroeg, en wellicht zelfs aanmerkelijk korter was.
12. Het Hof leunt bij zijn oordeel dat van strafvermindering kan worden afgezien, sterk op de totale duur van de berechting. Dat past niet goed in de door de Hoge Raad gevolgde benadering. De Hoge Raad heeft, in tegenstelling tot het EHRM, de sterke neiging om de verschillende fasen van het proces geïsoleerd van elkaar te beschouwen.(5) Dat de totale duur van het proces acceptabel is, maakt in die benadering niet dat zich geen te sanctioneren termijnoverschrijding voordoet. Ik begrijp de overwegingen van het Hof echter aldus, dat het bij de vraag welk rechtsgevolg aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dient te worden verbonden, een bijzonder gewicht heeft toegekend aan het feit dat de zaak in hoger beroep met bijzondere voortvarendheid is behandeld.
13. De steller van het middel leest in het standaardarrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH dat alleen ingeval van een overschrijding van de inzendtermijn een voortvarende behandeling in hoger beroep de overschrijding van de redelijke termijn kan compenseren. De vraag is of die lezing juist is. Erkend kan worden dat de Hoge Raad alleen ingeval van overschrijding van de inzendtermijn spreekt van de mogelijkheid van compensatie door een voortvarende behandeling. Maar daarmee is nog niet gezegd, dat dergelijke compensatie in andere gevallen uitgesloten is. De Hoge Raad stelt in het arrest voorop (rov. 3.7 sub b) dat het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan een overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.(6) Als nadere richtsnoer wordt slechts gegeven dat de overschrijding "in de regel" tot strafvermindering dient te leiden en dat voor niet-ontvankelijkheid van het OM als sanctie alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is. Dat laat de mogelijkheid van andere uitzonderingen op de regel dat strafvermindering dient te volgen, open. (7)
14. Ik zou met mijn ambtgenoot Wortel menen dat ook in gevallen waarin de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden, compensatie door een voortvarende behandeling in hoger beroep mogelijk zou moeten zijn.(8) Op die wijze wordt een stimulans ingebouwd om ingeval van een opgetreden vertraging zoveel spoed te betrachten als voor een verantwoorde behandeling maar mogelijk is. Om die spoed gaat het tenslotte bij het recht van de verdachte op een behandeling binnen een redelijke termijn. De betrachte spoed kan daarbij mijns inziens meewegen bij de mate waarin de straf verminderd wordt, en, als de vertraging gering is, ertoe leiden dat volstaan wordt met het constateren van de termijnoverschrijding als "just satisfaction".
15. Een en ander neemt niet weg dat een in eerste aanleg opgetreden vertraging alleen in uitzonderlijke gevallen geheel door een voortvarende behandeling in appel kan worden goed gemaakt. Het zal moeten gaan om een betrekkelijk geringe termijnoverschrijding, terwijl de behandeling in appel - te rekenen vanaf het moment waarop het rechtsmiddel wordt ingesteld - met meer dan normale voortvarendheid moet zijn aangepakt. Ik wijs er in dit verband op dat de Hoge Raad zich in gevallen waarin de inzendtermijn was overschreden, terughoudend toont met het toestaan van compensatie.(9)
16. In deze zaak heeft de verdachte op 11 december 2003 hoger beroep ingesteld, terwijl het Hof op 18 oktober 2004 uitspraak deed. De totale behandeling in hoger beroep heeft dus iets meer dan tien maanden geduurd. Dat is gelet op de twee jaars-termijn die hier als uitgangspunt geldt, bijzonder snel. Nu voorts sprake was van een overschrijding van de termijn van (wellicht aanmerkelijk) minder dan drie maanden, acht ik 's Hofs oordeel dat kan worden volstaan met het constateren van de overschrijding, op zich niet onbegrijpelijk.
17. De vraag is nog wel of aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel afbreuk doet dat het Hof daarbij mede in aanmerking genomen heeft de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat de verdachte zich na het jegens hem bewezenverklaarde feit weer schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk delict. In de toelichting op het middel wordt daartegen mijns inziens terecht bezwaar gemaakt. Het gaat hier om factoren die het Hof bij de strafoplegging in aanmerking had kunnen nemen, maar die niet kunnen bijdragen aan het oordeel dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen andere rechtsgevolg behoeft te worden dan de constatering van dat gebrek.
18. Ik zou het ervoor willen houden dat sprake is van motiveringsgebrek van ondergeschikt belang, die de begrijpelijkheid van het gegeven oordeel niet in die mate ondergraaft, dat vernietiging is aangewezen. Ik neem daarbij in aanmerking dat de Hoge Raad in gevallen als de onderhavige de zaak zelf pleegt af te doen, en in dit geval, opnieuw rechtdoende, wellicht ook zelf zou oordelen dat met de "enkele constatering" kan worden volstaan. Met vernietiging schiet de verdachte dus weinig op.
19. De klacht faalt.
20. Dan de tweede klacht, waarin wordt aangevoerd dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Deze is terecht voorgesteld. Nadat namens verdachte op 27 oktober 2004 cassatie was ingesteld, heeft het tot 12 augustus 2005 geduurd alvorens de stukken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR NJ 2000, 721 m.nt. JdH, rov. 3.14.
2 Vgl. HR NJ 2000, 721, rov. 3.13.
3 Ook is op de valreep - op 9 mei 2003 - nog aan de behandelend arts van het slachtoffer gevraagd om nadere verduidelijking van diens reeds op 9 januari 2002 geschreven brief. Ik neem niet aan dat het Hof dit als een bijzondere omstandigheid heeft meegewogen. Het antwoord kwam reeds op 20 mei 2003 af, terwijl ook niet goed valt in te zien waarom het verzoek pas in een zo laat stadium werd gedaan.
4 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 167.
5 Vgl. mijn annotatie onder HR27 januari 1998, NJ 1998, 810.
6 Vgl. HR 14 september 2004, NJ 2004, 628.
7 Ik wil niet scherp slijpen over de vraag of er in de jurisprudentie van de Hoge Raad nog verschil zit tussen het geval van compensatie en het geval waarin de enkele constatering een voldoende sanctie vormt. In het geval van compensatie kan mogelijk gezegd worden dat al met al - doordat de vertraging wegvalt tegen de latere spoed - geen sprake is geweest van termijnoverschrijding. "Just satisfaction" als sanctie veronderstelt uiteraard dat de termijn wel is overschreden.
8 Zie zijn conclusie in de zaak 00356/05, LJN AU8887.
9 Zie HR 4 oktober 2005, LJN AT9009 en HR 24 januari 2006, LJN AU6788. Wél begrijpelijk oordeelde de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de inzendtermijn was gecompenseerd door de vlotte behandeling in HR 12 april 2005, NJ 2005, 340. Vgl. HR 27 september 2005, LJN AU2020, waarin de Hoge Raad volstond met de "enkele constatering", maar de reden niet zoekt in de vlotte behandeling.