ECLI:NL:PHR:2006:AV6082
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep tegen vaststelling boedelbijdrage door rechter-commissaris in schuldsaneringsregeling
De zaak betreft een verzoeker die onder de schuldsaneringsregeling valt en bezwaar maakte tegen de vaststelling van een achterstand in de boedelbijdrage door de rechter-commissaris. Deze vaststelling vond plaats in een brief van 13 juni 2005. De verzoeker kwam in hoger beroep bij de rechtbank Amsterdam, die hem niet-ontvankelijk verklaarde omdat het bezwaar zich richtte tegen de wijze van vaststelling van het nominale bedrag volgens artikel 295 lid 3 van Pro de Faillissementswet, waartegen geen beroep openstaat.
De verzoeker stelde in cassatie dat het bezwaar betrekking had op artikel 295 lid 2 Fw Pro, waartegen wel beroep mogelijk zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank een feitelijke beoordeling betrof die in cassatie niet kan worden getoetst. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat artikel 295 lid 2 Fw Pro geen bevoegdheid aan de rechter-commissaris geeft om een beschikking te geven over het vrijgestelde bedrag, dat van rechtswege buiten de boedel valt.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het hoger beroep niet ontvankelijk is. Hiermee werd de beslissing van de rechtbank bekrachtigd en het beroep van de verzoeker afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van verzoeker tegen de vaststelling van de boedelbijdrage door de rechter-commissaris is niet ontvankelijk verklaard.