ECLI:NL:PHR:2006:AV6085
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid voorlopige machtiging zonder geldig verzoek officier van justitie
In deze zaak betrof het een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank verleende op 10 november 2005 een voorlopige machtiging, terwijl het verzoek van de officier van justitie pas op 16 november 2005 werd ingediend. Betrokkene was op 10 november gehoord, maar niet op het latere verzoek van 16 november.
De Hoge Raad oordeelt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend op een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie, en dat het horen van betrokkene moet plaatsvinden nadat het verzoekschrift is ingediend. De rechtbank had geen ambtshalve bevoegdheid om vooruitlopend op het verzoek een voorlopige machtiging te verlenen. Tevens is een voorafgaande afstand van het recht om op een nog in te dienen verzoek te worden gehoord niet rechtsgeldig, omdat de inhoud en omstandigheden van dat verzoek nog onbekend zijn.
Daarnaast is geoordeeld dat de geneeskundige verklaring die bij het verzoek van 16 november werd overgelegd niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat een verklaring van de geneesheer-directeur ontbrak. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Haarlem voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de voorlopige machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Haarlem.