ECLI:NL:PHR:2006:AV6094

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00799/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 365a SvArt. 260 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verontschuldigbare termijnoverschrijding en schending aanwezigheidsrecht in hoger beroep

De verdachte werd in hoger beroep bij verstek veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur voor mishandeling. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep bevatte een bijsluiter die de verdachte in de veronderstelling bracht dat de zaak op die zitting niet inhoudelijk zou worden behandeld en dat hij een nieuwe oproeping zou ontvangen. Hierdoor stelde verdachte zijn cassatieberoep pas na de wettelijke termijn in, wat normaal tot niet-ontvankelijkheid leidt.

De Hoge Raad oordeelt echter dat sprake is van een bijzondere, verdachte niet toe te rekenen omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. Daarnaast is vastgesteld dat verdachte door een administratieve vergissing bij verstek is veroordeeld zonder dat hij de mogelijkheid kreeg alsnog aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling, wat in strijd is met art. 6 EVRM Pro.

Verder is gebleken dat het hof zijn beslissing niet heeft vastgelegd in een verkort arrest zoals voorgeschreven, maar slechts in een uittreksel, waardoor het arrest niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling in hoger beroep met aanwezigheid van verdachte.

Conclusie

Nr. 00799/05
Mr. Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 5 augustus 2004 bij verstek voor mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur.
2. Mr. B.P.M. Cannoy, advocaat te Leeuwarden, heeft op 11 januari 2005 cassatie ingesteld. Mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt erover dat verdachte bij verstek is veroordeeld. Verdachte was door de politierechter te Groningen op 2 februari 2004 van het tenlastegelegde vrijgesproken. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Op de op 28 mei 2004 in persoon aan verdachte uitgereikte appèldagvaarding is deze niet ter terechtzitting verschenen. De toelichting op het eerste middel meldt dat aan de appèldagvaarding een bijsluiter was gehecht met de volgende inhoud:
"Naar het oordeel van de advocaat-generaal is het hoger beroep te laat ingesteld. Daarom zal hij de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep vorderen.
Op de terechtzitting, waarvoor u bij deze dagvaarding wordt opgeroepen, wordt alleen de vraag behandeld, of het hoger beroep al dan niet tijdig is ingesteld.
Mocht het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel zijn dat het hoger beroep toch tijdig is ingesteld, dan zal de zaak op een nader te bepalen terechtzitting inhoudelijk worden behandeld."
De advocaat-generaal heeft op 31 januari 2005 een brief gericht aan de advocaat van verdachte - welke brief evenals de bijsluiter als bijlage is gehecht aan de cassatieschriftuur - waarin de mogelijkheid wordt geopperd dat een vergissing is begaan en wordt toegezegd dat de executie van de opgelegde taakstraf wordt stilgelegd totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen.
Het middel komt erop neer dat de verdachte door de bijsluiter op het verkeerde been is gezet en in de veronderstelling verkeerde dat hij ter terechtzitting van 22 juli 2004 niet behoefde te verschijnen en eventueel een nieuwe oproeping zou ontvangen.
3.2. De appèldagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2004 is, zoals gezegd, op 28 mei 2004 aan verdachte in persoon uitgereikt. Aan de uitreiking van de appeldagvaarding kleeft geen gebrek dat ertoe zou moeten leiden dat deze wordt nietigverklaard. Veertien dagen nadien, op 5 augustus 2004 heeft het hof arrest gewezen. Op het eerste gezicht had verdachte dus uiterlijk op 19 augustus 2004 cassatie moeten instellen.
3.3. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor cassatie door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat cassatieberoep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.(1)
3.4. Hetgeen de steller in het middel betoogt, welk betoog wordt ondersteund door bijlagen, doet het vermoeden rijzen dat zich in deze zaak zo een buitengewone omstandigheid voordoet. Verdachte, die in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat, kan zijn afgegaan op de verkeerde bijsluiter en verwacht hebben te zijner tijd een nieuwe oproeping te zullen ontvangen. Ik heb geen reden te twijfelen aan de door de steller van het middel geschetste gang van zaken. Het cassatieberoep is naar mijn mening ontvankelijk te achten. Mijns inziens betekent het voorgaande ook dat, gelet op de omstandigheden die achteraf bezien niet onaannemelijk zijn te achten, aan verdachtes recht om bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig te zijn tekort kan zijn gedaan, doordat verdachte door een buiten het hof om gaande administratieve vergissing bij verstek is veroordeeld.(2)
Aangenomen moet worden dat het hof, kennis dragende van de vermoede administratieve vergissing, het onderzoek ter terechtzitting zou hebben geschorst om verdachte de gelegenheid gegeven alsnog te verschijnen. Nu deze gelegenheid aan verdachte niet is geboden kan het bestreden arrest niet in stand blijven.
Ik acht het eerste middel gegrond.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof op 5 augustus 2004 zijn beslissingen in de strafzaak tegen verdachte niet heeft vastgelegd in het verkort arrest doch in een uittreksel.
4.2. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een arrest van 5 augustus 2004 van het Gerechtshof Leeuwarden dat is aangeduid als "uittreksel". Dat uittreksel bevat niet de tenlastelegging, de bewezenverklaring of een strafmotivering. Een verkort arrest, dat aan de eisen van artikel 365a Sv voldoet, heb ik onder de stukken niet aangetroffen. Ik houd het ervoor dat in eerste instantie is volstaan met het opmaken van het uittreksel en dat het opmaken en vaststellen van het verkort arrest achterwege is gebleven. Dat leidt ertoe dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.(3)
Het tweede middel is gegrond.
5.1. Het derde middel betoogt dat in hoger beroep een getuige à charge is gehoord terwijl verdachte aan het op de dagvaarding in hoger beroep gestelde het vertrouwen mocht ontlenen dat dit niet zou geschieden. Ik begrijp het middel aldus dat het hof niet had mogen voortgaan met het onderzoek ter terechtzitting terwijl verdachte onwetend was van het feit dat een getuige zou worden opgeroepen.
5.2. Het middel, dat ervan uitgaat dat niet-naleving van het bepaalde in art. 260, derde lid, Sv, tengevolge waarvan de dagvaarding niet de in dat artikellid voorgeschreven gegevens van de door het openbaar ministerie gedagvaarde of opgeroepen getuigen bevat, aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting in de weg staat, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt.(4)
6. Het eerste en tweede middel zijn naar mijn mening gegrond, hetgeen tot vernietiging van de bestreden uitspraak moet leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging behoort te leiden.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof Leeuwarden om in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 4 mei 2004, NJ 2004, 462; HR 21 juni 2005, LJN AT4371.
2 Vgl. HR 26 augustus 2003, nr. 02646/02/P.
3 Vgl. HR 24 mei 2005. LJN AT2980; HR 6 december 2005, LJN AT5754.
4 HR 29 oktober 1996, nr. 104.081 (als DD 97.062 zonder vermelding van dit onderdeel gepubliceerd).