ECLI:NL:PHR:2006:AV6130
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping aanhoudingsverzoek wegens ontbreken uitdrukkelijke machtiging raadsman en afwezigheid verdachte
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte op 10 juni 2004 veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens meervoudige diefstal. De raadsman van verdachte, mr. M.R. Mantz, stelde zich niet uitdrukkelijk als raadsman op en was niet in het bezit gesteld van de processtukken, waarop hij een verzoek tot aanhouding van de behandeling indiende.
Het hof wees dit verzoek af omdat verdachte zonder kennisgeving niet was verschenen en de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd was de verdediging te voeren. De Hoge Raad bevestigt dat een raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging geen rechten kan uitoefenen behalve het toelichten van afwezigheid en het verzoeken om aanhouding.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte niet van zijn aanwezigheidsrecht afstand heeft gedaan, maar dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek gegrond is omdat de raadsman niet bevoegd was en verdachte niet aanwezig was. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding van de behandeling wordt afgewezen.