A. [Slachtoffer] is op 22 september 2003 omstreeks 07:15 uur zijn werkzaamheden als koerier in dienst van [benadeelde partij 1], verder: [benadeelde partij 1], begonnen in de bedrijfshal van [benadeelde partij 3] aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. Om 07:24 uur die dag heeft medeverdachte [medeverdachte 2], verder: [medeverdachte 2], ter plaatse uitgebeld naar het mobiele nummer [002], in gebruik bij [verdachte] (blz. 513, 003514). Dat [verdachte] toen de gebruiker was van laatst vermeld telefoonnummer, leidt het hof net als de rechtbank af uit de navolgende feiten en omstandigheden:
1. De inhoud van tapgesprekken 520, 521 en 523 uit onderzoek "Cardiff (blz. 462-463, 003514) die plaatsvonden iets meer dan één maand voor de overval;
2. In (het telefoonboek van) de mobiele telefoon van [betrokkene 1], die deelneemt aan deze tapgesprekken, staat de naam "[verdachte]" geregistreerd onder nummer [002] (blz. 465, 003514);
3. Uit informatie van de infodesk van de politie Amsterdam-Amstelland blijkt dat onder meer [verdachte] als bijnaam "[verdachte]" heeft (blz. 466, 003514);
4. Verdachte [medeverdachte 3], verder: [medeverdachte 3], heeft verklaard dat [verdachte] in de buurt bekend staat als "[verdachte]" (blz. 496, 003514);
5. [Verdachte] is de eigenaar/gebruiker van een Fiat Punto, bouwjaar 1995, die hij met ingang van 19 augustus 2003 heeft verzekerd bij assurantieadviseur [A] te [vestigingsplaats] (blz. 460-461,003514);
6. De politie heeft geconstateerd dat uit de historische printgegevens van het mobiele nummer [002] blijkt dat dit nummer veelvuldig in telefonisch contact is geweest met de vaste telefoonaansluiting van de ouders van [verdachte];
7. [Verdachte] heeft, voor de eerste maal geconfronteerd met één van de gesprekken uit het Cardiff onderzoek en de vraag of hij zichzelf herkende als een van de deelnemers aan dat gesprek volstaan met het opwerpen van een wedervraag: 'Wie zegt dat ik dit ben. Ik zeg verder niets. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht"! Pas later (in appèl, bij gelegenheid van de pro forma-zitting van 5 oktober 2004) heeft verdachte doen aanvoeren dat hij zich intussen herinnerde inderdaad die gesprekken gevoerd te hebben en op de zitting van 9 december 2004 daar zelf over verklaard dat dat was met een even van een hem verder niet met naam bekende 'jongen' geleende telefoon. Hij zou die telefoon telkens hebben mogen gebruiken en vervolgens weer hebben teruggegeven. Hoe het kon zijn dat hij in zijn gesprek met [betrokkene 1] (blz 462) het nummer [002] aan [betrokkene 1] zonder enig voorbehoud opgaf als zijn, verdachtes, nummer bleef zonder verklaring en het gegeven dat [verdachte] en niet die onbekende jongen drie kwartier later die telefoon opnam maakt de zo-even gereleveerde lezing van verdachte zelfs onwaarschijnlijk. Het hof houdt het erop dat verdachte zijn relatie tot genoemd telefoonnummer wenst te verhullen;
8. In het licht van dit laatste is sprekend dat de gebruikers van de andere telefoonnummers waarmee [002] frequent contact heeft gehad eveneens geen opheldering hebben willen geven over de persoon die van dat nummer gebruik maakte. [Medeverdachte 1] niet, die in minder dan drie maanden tijd 96 maal (dat is vaker dan éénmaal per dag) contact heeft gehad met dat nummer en in het bijzonder de familieleden van [verdachte] niet, die verklaard hebben niet te weten wie dat nummer gebruikte. Met het nummer van de ouders van verdachte is er in de drie maanden waarop de printgegevens betrekking hebben 73 maal contact geweest.