ECLI:NL:PHR:2006:AV6203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsvoering en verwerpt cassatie tegen bedreiging
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof terecht het bewijs had aanvaard dat verdachte op 16 augustus 2002 een bedreiging heeft geuit. Verdachte stelde dat niet hij, maar zijn neef was aangehouden en dat zijn identiteit was misbruikt. Het hof verwierp dit standpunt op basis van verklaringen, waaronder die van een verbalisant die verdachte herkende.
Verdachte bracht twee middelen in cassatie aan. Het eerste middel klaagde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het verweer dat een ander zich voor verdachte had uitgegeven. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring van de getuige en de bewijsmiddelen voldoende waren om het standpunt van verdachte te verwerpen.
Het tweede middel betrof de toepassing van artikel 63 Sr Pro in verband met een eerdere veroordeling van verdachte. De Hoge Raad stelde dat de eerdere veroordeling niet in de weg staat aan het opleggen van een geldboete en dat het ontbreken van verwijzing naar artikel 63 Sr Pro in het arrest geen grond voor cassatie vormt.
De Hoge Raad concludeerde dat geen van de middelen slaagt en verwierp het cassatieberoep. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.