ECLI:NL:PHR:2006:AV6216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verstekvonnis wegens verjaring en niet-ontvankelijkheid vervolging
Verdachte werd op 21 juni 2002 door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 45,- wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op 11 januari 2005 stelde verdachte hoger beroep in, maar het hof begreep dit als een cassatieberoep, wat niet mogelijk was gezien de opgelegde boete lager dan € 50.
Het hof besloot het dossier naar de Hoge Raad te zenden. De Hoge Raad constateerde dat sinds het verstekvonnis geen vervolgingshandeling was verricht gedurende de verjaringstermijn van twee jaar zoals bepaald in art. 70 Sr Pro. Hierdoor was het recht tot strafvordering vervallen.
De Hoge Raad oordeelde dat het verstekvonnis vernietigd moest worden en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de vervolging. Het hoger beroep kon niet worden omgezet in verzet vanwege proceseconomische redenen.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.