ECLI:NL:PHR:2006:AV6216

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03035/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 78.5 ROArt. 399 SvArt. 402 SvArt. 403 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis wegens verjaring en niet-ontvankelijkheid vervolging

Verdachte werd op 21 juni 2002 door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 45,- wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op 11 januari 2005 stelde verdachte hoger beroep in, maar het hof begreep dit als een cassatieberoep, wat niet mogelijk was gezien de opgelegde boete lager dan € 50.

Het hof besloot het dossier naar de Hoge Raad te zenden. De Hoge Raad constateerde dat sinds het verstekvonnis geen vervolgingshandeling was verricht gedurende de verjaringstermijn van twee jaar zoals bepaald in art. 70 Sr Pro. Hierdoor was het recht tot strafvordering vervallen.

De Hoge Raad oordeelde dat het verstekvonnis vernietigd moest worden en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de vervolging. Het hoger beroep kon niet worden omgezet in verzet vanwege proceseconomische redenen.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.

Conclusie

Nr. 03035/05
Mr Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 20 september 2005 verstaan dat verdachte tegen de verstekveroordeling van de Kantonrechter te Rotterdam van 21 juni 2002 voor overtreding van de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam, waarbij verdachte een geldboete van € 45,- is opgelegd, geen hoger beroep maar beroep in cassatie heeft ingesteld en dienvolgens het dossier naar de griffier van de Hoge Raad toegezonden.
2. Verdachte heeft op 11 januari 2005 tegen de verstekveroordeling door de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
3.1. Ten tijde van de beslissing in eerste aanleg luidde art. 404 Sv Pro aldus dat verdachte tegen een vonnis, als einduitspraak door een rechtbank ter zake van een overtreding gewezen en waarbij verdachte niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, hoger beroep openstaat tenzij (lid 2 onder b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 50.
Omdat in de onderhavige zaak een geldboete van € 45,- is opgelegd stond inderdaad geen hoger beroep open. Wel evenwel verzet op de voet van art. 399 lid 1 jo Pro. lid 3 Sv en geen cassatie, ook al staat dat tegen vonnissen betreffende overtredingen van verordeningen van lagere overheden nog open ongeacht de hoogte van de opgelegde boete (art. 404 lid 3 Sv Pro). Ingevolge art. 427 lid 4 Sv Pro schorst immers verzet de rechtsgevolgen van het cassatieberoep indien, zoals hier het geval is, beide rechtsmiddelen openstaan.
3.2. Uit de stukken van het geding blijkt echter niet dat gedurende twee jaren na het verstekvonnis van de kantonrechter enige daad van vervolging is verricht. De conversiebeslissing van het hof is de eerste daad van vervolging na het verstekvonnis waarvan uit de stukken kan blijken. De in art. 70, aanhef en onder 1°, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. Uit het oogpunt van proceseconomie lijkt het mij niet zinvol het ingestelde hoger beroep alsnog te converteren in verzet.
4. Dit brengt mij tot de conclusie dat het bestreden verstekvonnis dient te worden vernietigd en de officier van justitie alsnog niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak nr. 03034/05 waarin ik ook heden concludeer.