ECLI:NL:PHR:2006:AV7189
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van samenloopregeling bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin de toepassing van de samenloopregeling (artikelen 57 tot en met 63 Sr) centraal staat. Verdachte was door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk, en de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf werd bevolen. Deze voorwaardelijke straf werd omgezet in een werkstraf van 240 uur, terwijl verdachte bij een eerdere, afgesplitste zaak al een werkstraf van 120 uur had opgelegd gekregen.
De verdediging voerde aan dat de samenloopregeling van toepassing zou moeten zijn, waardoor het maximum aantal uren werkstraf van 240 uur niet overschreden mocht worden. De Hoge Raad stelde echter vast dat de samenloopregeling niet van toepassing is op de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf, maar alleen op het moment van oplegging van straf. Na splitsing van zaken geldt het maximum aantal uren werkstraf per zaak afzonderlijk.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de beslissing tot splitsing van zaken voorbehouden is aan de feitenrechter en niet in cassatie kan worden getoetst. Ook bleek niet dat verdachte in hoger beroep bezwaar had gemaakt tegen de splitsing. De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie ongegrond zijn en verwierp het beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de samenloopregeling niet van toepassing is bij de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf die wordt omgezet in een werkstraf.