ECLI:NL:PHR:2006:AV7189

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01362/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 57 SrArt. 58 SrArt. 59 SrArt. 60 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van samenloopregeling bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf

De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin de toepassing van de samenloopregeling (artikelen 57 tot en met 63 Sr) centraal staat. Verdachte was door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk, en de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf werd bevolen. Deze voorwaardelijke straf werd omgezet in een werkstraf van 240 uur, terwijl verdachte bij een eerdere, afgesplitste zaak al een werkstraf van 120 uur had opgelegd gekregen.

De verdediging voerde aan dat de samenloopregeling van toepassing zou moeten zijn, waardoor het maximum aantal uren werkstraf van 240 uur niet overschreden mocht worden. De Hoge Raad stelde echter vast dat de samenloopregeling niet van toepassing is op de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf, maar alleen op het moment van oplegging van straf. Na splitsing van zaken geldt het maximum aantal uren werkstraf per zaak afzonderlijk.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de beslissing tot splitsing van zaken voorbehouden is aan de feitenrechter en niet in cassatie kan worden getoetst. Ook bleek niet dat verdachte in hoger beroep bezwaar had gemaakt tegen de splitsing. De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie ongegrond zijn en verwierp het beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de samenloopregeling niet van toepassing is bij de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf die wordt omgezet in een werkstraf.

Conclusie

Nr. 01362/05
Mr. Vellinga
Zitting: 21 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 december 2004 wegens (1 subsidiair) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en (2) medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk. Voorts is de tenuitvoerlegging bevolen van het bij vonnis van de Rechtbank van 18 februari 2002 opgelegde voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf in die zin dat een gedeelte van vier maanden zal worden ten uitvoer gelegd, en wel in dier voege dat het zal worden omgezet in een werkstraf van tweehonderdveertig uren subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en dat van de overige vier maanden de proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen klagen dat het Hof ten onrechte de beslissing tot voeging van bij één dagvaarding aangebrachte zaken niet ongedaan heeft gemaakt hoewel de verdachte daardoor is benadeeld. Omdat hem ter zake van de afgesplitste feiten een taakstraf van 120 uur is opgelegd, zou het, gelet op het maximaal aantal uren werkstraf van 240 uur (art. 22c lid 2 Sr), als de zaken niet waren gesplitst volgens de toelichting op de middelen niet mogelijk geweest in de onderhavige zaak alsnog de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te bevelen in de vorm van een werkstraf van 240 uur.
4. De middelen gaan er aan voorbij dat de beslissing tot splitsing is voorbehouden aan de feitenrechter en zich niet leent voor toetsing in cassatie.(1) Na splitsing is sprake van afzonderlijke zaken, zodat het maximum aantal uren werkstraf als bedoeld in art. 22c, tweede lid, Sr geldt voor iedere zaak afzonderlijk. De middelen kunnen daarom verder onbesproken blijven.
5. Ik merk nog op niet blijkt dat zijdens verdachte in hoger beroep bezwaar is gemaakt tegen de beslissing tot splitsing van de Rechtbank.
6. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 20 april 2004, NJ 2005, 241. Zie voor de beslissing tot voeging HR 4 oktober 1983, NJ 1984, 237; HR 2 december 1986, NJ 1987, 570.