ECLI:NL:PHR:2006:AV9442

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/253HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 RvArt. 75 lid 1 RvArt. 401a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest over ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenvonnis bij bevoegdheidsincident

In deze zaak stond centraal de vraag of een hoger beroep tegen een tussenvonnis, waarin een exceptie van (internationale) bevoegdheid door de rechtbank was verworpen en de hoofdzaak naar de rol was verwezen zonder tussentijds hoger beroep toe te staan, ontvankelijk kon worden verklaard op grond van processuele doelmatigheid.

Mondial Freight was in hoger beroep gegaan tegen het tussenvonnis van de rechtbank Haarlem, maar de rechtbank had geen tussentijds hoger beroep toegestaan zoals vereist volgens art. 337 lid 2 Rv Pro. Het hof had desalniettemin het hoger beroep ontvankelijk verklaard op grond van processuele doelmatigheid, en Mondial Freight toegelaten tot bewijslevering.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro was afgeweken, omdat alleen de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen bevoegd is om tussentijds hoger beroep toe te staan. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak werd door de Hoge Raad afgedaan door Mondial Freight niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het tussenvonnis wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming voor tussentijds hoger beroep.

Conclusie

Rolnr. C05/253HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 7 april 2006
conclusie inzake
Hampden Insurance N.V.
tegen
Mondial Freight (H.K.) Limited
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of in afwijking van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro op gronden van processuele doelmatigheid hoger beroep toelaatbaar moet worden geacht van een tussenvonnis waarbij een door de gedaagde opgeworpen exceptie van (internationale) onbevoegdheid is verworpen, terwijl in de hoofdzaak rolverwijzing voor voortprocederen heeft plaatsgevonden.
2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.
(i) Bij exploit van 19 september 2001 heeft thans eiseres tot cassatie, destijds genaamd Sampo Industrial Insurance N.V., thans genaamd Hampden Insurance N.V., hierna: Hampden, thans verweerster in cassatie, hierna: Mondial Freight, alsmede een andere rechtspersoon die thans in cassatie niet als procespartij is betrokken, gedagvaard voor de rechtbank Haarlem met een vordering tot - kort gezegd - schadevergoeding.
(ii) Mondial Freight heeft voor alle weren de (internationale) bevoegdheid van de rechtbank betwist.
(iii) Nadat Hampden de door Mondial Freight opgeworpen exceptie van onbevoegdheid had bestreden, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 26 november 2002 in het incident de exceptie verworpen en in de hoofdzaak, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.
(iv) Mondial Freight is van het tussenvonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. Hampden heeft met een beroep op art. 337 lid 2 Rv Pro (primair) geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Mondial Freight in haar hoger beroep.
3. Bij arrest van 30 juni 2005 heeft het hof Mondial Freight ontvankelijk geoordeeld in haar hoger beroep. Het hof was van oordeel dat, hoewel het vonnis waarvan beroep een tussenvonnis is in de zin van art. 337 lid 2 Rv Pro en de rechtbank niet heeft bepaald dat daartegen hoger beroep kan worden ingesteld anders dan tegelijk met dat van het eindvonnis, Mondial Freight "op gronden van processuele doelmatigheid" desondanks in haar beroep dient te worden ontvangen (r.o. 4.2). Het hof heeft vervolgens, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, Mondial Freight (in het incident) toegelaten tot bewijslevering.
4. Bij uitspraak van 4 augustus 2005 heeft het hof op een daartoe strekkend verzoek van Hampden verstaan dat van het arrest van 30 juni 2005 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
5. Hampden is tegen het arrest van het hof van 30 juni 2005 (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. Mondial Freight is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
6. Het bestreden arrest is een tussenarrest, omdat het dictum ervan niet een beslissing inhoudt die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt (zie HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709 en HR 17 maart 2006, Nr. C05/031HR, LJN AU8325). Niettemin kan Hampden in haar cassatieberoep worden ontvangen, nu het hof bij zijn uitspraak van 4 augustus 2005 op de voet van art. 401a lid 2 Rv heeft bepaald dat van zijn arrest van 30 juni 2005 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
7. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat Mondial Freight kan worden ontvangen in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank. Volgens het middel is dat oordeel rechtens onjuist omdat - kort gezegd - niet is voldaan aan de voorwaarden die art. 337 lid 2 Rv Pro stelt aan de mogelijkheid om tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis in te stellen en de appellabiliteit een kwestie van openbare orde is, zodat van die wetsbepaling niet kan worden afgeweken, ook niet op "gronden van processuele doelmatigheid".
8. Volgens de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro kan van tussenvonnissen hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld. De hoofdregel lijdt, afgezien van het hier niet aan de orde zijnde geval waarin art. 75 lid 1 Rv Pro van toepassing is, ook in gevallen als het onderhavige, waarin bij het beroepen tussenvonnis een door de gedaagde opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is verworpen, terwijl in de hoofdzaak rolverwijzing voor voortprocederen heeft plaatsgevonden (vgl. HR 17 maart 2006, RvdW 2006, Nr. C05/031HR, LJN AU8325), slechts uitzondering indien de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen hetzij uit eigen beweging, hetzij desverzocht in zijn vonnis of bij latere beslissing (HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510 nt. DA), tussentijds beroep heeft toegestaan.
9. Het hof heeft in de onderhavige zaak - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat de rechtbank geen verlof tot tussentijds hoger beroep van haar tussenvonnis heeft verleend (r.o. 4.2 van het bestreden arrest). Het hof had derhalve met toepassing van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro Mondial Freight in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Anders dan het hof kennelijk doch ten onrechte heeft geoordeeld, is het niet aan de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld, doch uitsluitend aan de rechter die de tussenuitspraak heeft gewezen om te beoordelen of "gronden van processuele doelmatigheid" meebrengen dat tussentijds beroep moet worden toegestaan.
10. Het middel treft, zo volgt, naar mijn oordeel doel.
11. Na vernietiging van het bestreden arrest kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door Mondial Freight alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als hierboven onder 11 is aangegeven.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden