ECLI:NL:PHR:2006:AV9444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Kostenveroordeling bijzondere curator bij ontkenning vaderschap na DNA-onderzoek
In deze zaak gaat het om een geschil tussen de bijzondere curator van een minderjarig kind en de ontkennende wettelijke vader over de kosten van een DNA-onderzoek dat heeft uitgewezen dat de man niet de biologische vader is. De man had bij de rechtbank en het hof de ontkenning van zijn vaderschap verzocht, waarbij het hof een DNA-onderzoek gelastte en de kosten aanvankelijk bij de man legde.
De bijzondere curator, die het belang van het kind behartigt, voerde verweer tegen de ontkenning en stelde dat het niet in het belang van het kind was om het vaderschap te ontkennen zonder dat een derde het vaderschap erkent. Na het DNA-onderzoek gaf de curator aan zich niet langer te verzetten tegen de ontkenning. Het hof veroordeelde de bijzondere curator vervolgens tot vergoeding van de kosten van het DNA-onderzoek.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof enerzijds het verzoek van de man afwees om de kosten bij de curator te leggen, maar anderzijds de curator toch veroordeelde tot kostenvergoeding zonder nadere motivering. De Hoge Raad vernietigt de kostenveroordeling en verwijst de zaak terug. De zaak betreft de toepassing van art. 1:200 BW Pro, art. 1:212 BW Pro en de proceskostenregels van art. 289 Rv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de kostenveroordeling van de bijzondere curator voor het DNA-onderzoek wegens onbegrijpelijke motivering en verwijst de zaak terug.