ECLI:NL:PHR:2006:AW0130

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01477/05 A
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 230 Sr-NA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor medeplegen verduistering en valsheid in geschrifte in Antilliaanse zaak

In deze zaak stond verdachte terecht voor meerdere feiten, waaronder medeplegen van oplichting en verduistering, alsmede valsheid in geschrifte. Het Hof sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, maar veroordeelde hem tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf voor medeplegen van verduistering en valsheid in geschrifte.

De zaak betrof betalingen van verzekeringspremies door N.V. A aan N.V. B, waarbij verdachte en een medeverdachte betrokken waren. Het Hof stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat premiegelden onrechtmatig werden overgedragen en toeëigening daarvan door verdachte plaatsvond. Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte valselijk notulen van een Raad van Commissarissen-vergadering had opgemaakt, waarin besluiten werden vermeld die in werkelijkheid niet waren genomen.

De Hoge Raad oordeelde dat de notulen als geschrift bestemd tot bewijs konden worden aangemerkt, ook al waren zij niet geaccordeerd, en verwierp de cassatiemiddelen van de verdediging. De bewijsvoering en motivering van het Hof werden als voldoende en begrijpelijk beoordeeld, waardoor het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf voor medeplegen van verduistering en valsheid in geschrifte.

Conclusie

Nr. 01477/05 A
Mr. Knigge
Zitting: 4 april 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair en 4 tenlastegelegde en voorts wegens - kort gezegd - het meermalen medeplegen van oplichting en verduistering in dienstbetrekking, valsheid in geschrifte en het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf.
2. In de zaak met het nummer 01511/05A van een medeverdachte zal ik vandaag eveneens concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Met name het opzet van verdachte en de omstandigheid dat [medeverdachte 1] de gelden anders dan door misdrijf onder zich had, zouden niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen.
5. Ten laste van de verdachte is onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2000 tot en met 31 december 2002 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], meermalen telkens opzettelijk een hoeveelheid geld door [A] N.V. (hierna: [A]) betaald aan [B] N.V. (hierna: [B]) in verband met door [A] aan verschillende verzekeringspremies en bestemd om te worden doorbetaald aan die verzekeringsmaatschappijen, geheel of ten dele toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte en/of aan die [medeverdachte 1], en welk geldbedrag die [medeverdachte 1] telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als directrice van [B] anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend".
6. Het Hof heeft een nadere bewijsmotivering opgenomen ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit. Deze overweging luidt als volgt:
"Uitgangspunt is dat door medeverdachte [medeverdachte 1] in totaal NAF. 200.000,- à NAF. 300.000,- aan verdachte is betaald. Dat bedrag kan onmogelijk uitsluitend afkomstig zijn geweest van de in feit 1 bedoelde verhoogde urendeclaraties nu deze in totaal "slechts" NAF. 436.000,- bedroegen en daarin begrepen was een belangrijk deel dat reëel was in die zin dat het om daadwerkelijk gewerkte uren ging. Verdachte wist dat [B] - aanzienlijke - inkomsten ontving in verband met door [A] aan haar als verzekeringstussenpersoon betaalde verzekeringspremies. Verdachte wist ook dat de doorbetaling daarvan voorwerp van onderzoek vormde binnen [A] maar drong desondanks aan op betaling aan [B]. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat de aanmerkelijke kans bestond dat niet slechts ontvangsten uit overuren maar ook premiegelden hun weg vonden naar verdachte. Uit het aanvaarden van het geld blijkt dat verdachte die aanmerkelijke kans heeft aanvaard."
7. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid.
(i) Door [A] zijn aan [B] in de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 januari 2003 geldbedragen betaald in verband met verschuldigde verzekeringspremies. Het totaalbedrag dat door [A] is betaald, bedraagt NAF.1.241.857,40. (bewijsmiddel 21)
(ii) [medeverdachte 1] is enig aandeelhouder van [B] NV. (bewijsmiddel 20)
(iii) Door [B] werd de verzekeringspremie geïnd bij [A]. De policy van verzekeringsmaatschappijen is dat, binnen drie maanden na inning van de premies, dit geld dient te worden overgeboekt op de rekening van de verzekeringsmaatschappij in kwestie. De verrekening van de premie vindt plaats via de rekening courant-verhouding. De door [B] ontvangen premies werden niet overgeboekt op de rekening van de desbetreffende verzekeringsmaatschappij. (bewijsmiddel 27) Verzekeringsmaatschappijen hebben geen of slechts een gedeelte van de premiebetalingen ontvangen. (bewijsmiddelen 23, 24, 25, 26, 28, 29 en 30)
(iv) [medeverdachte 1] is door verdachte aangeboden om de verzekeringsportefeuille van [A] over te nemen. Tijdens dat gesprek heeft de verdachte [medeverdachte 1] laten weten dat hij zal regelen dat zij de verzekeringsportefeuille zou krijgen en dat [medeverdachte 1] verdachte van dit project iets moest geven. Nadat [medeverdachte 1] de portefeuille had overgenomen, merkte [medeverdachte 1] dat verdachte ervoor zorgde dat alles gemakkelijk voor haar liep. Verdachte zei tegen [medeverdachte 1] dat hij het geld cash wou hebben en dat [medeverdachte 1] dat aan niemand moest vertellen. Het totale bedrag dat [medeverdachte 1] aan verdachte heeft gegeven ligt tussen de NAF. 200.000,- en de NAF. 300.000,-. Het gemiddelde bedrag dat [medeverdachte 1] aan verdachte gaf was NAF. 5.000,-. Dat bedrag nam [medeverdachte 1] soms op van een MCB rekening van [B]. (bewijsmiddel 1)
(v) Omdat [B] van [medeverdachte 1] in geldnood verkeerde, heeft [medeverdachte 1] onjuiste facturen opgemaakt, onder meer facturen die betrekking hadden op overuren. Het ging daarbij onder meer om twee facturen respectievelijk ter waarde van NAF.289.430,40 en NAF.115.514,45. Daarop stond dan een bedrag dat hoger was dan wat [medeverdachte 1] in werkelijkheid aan overuren had gemaakt. Het idee om de onjuiste facturen op te maken was afkomstig van de verdachte. (bewijsmiddelen 4, 5, 6, 14 en 15)
8. De redenering van het Hof komt op het volgende neer. Een bedrag tussen NAF. 200.000,- en NAF. 300.000,- is door [medeverdachte 1] overgedragen aan verdachte. Dat (gehele) bedrag kan onmogelijk uitsluitend afkomstig zijn geweest van de verhoogde urendeclaraties, mede gelet op het feit dat een gedeelte van het gedeclareerde bedrag wel overeenstemde met daadwerkelijk gewerkte overuren. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte wist dat [medeverdachte 1] de verzekeringspremies ontving van [A] en dat dat om grote bedragen ging, terwijl de verdachte een aanzienlijk bedrag van [medeverdachte 1] heeft ontvangen, acht ik het oordeel van het Hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door [A] aan [B] betaalde premiegelden aan hem werden overgedragen, niet onbegrijpelijk. Daarin ligt besloten dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het feit dat als heer en meester over die aan een ander toebehorende gelden werd beschikt.(1) Dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte kennisdroeg van de administratieve verwerking van de premiegelden, acht ik in zoverre dan ook niet relevant, gelet op de hoogte van het totaalbedrag dat de verdachte heeft ontvangen.
9. Anders dan de steller van het middel betoogt, meen ik dat in de nadere bewijsmotivering van het Hof besloten ligt dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Gelet op de rol die de verdachte heeft gespeeld en de langdurige nauwe contacten die hij heeft onderhouden met [medeverdachte 1], zoals die naar voren komen uit de bewijsmiddelen, kon het Hof aannemen dat met het aanvaarden van het geld, hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld afkomstig was van premiegelden. Van een situatie als bedoeld in HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 m.nt. JR, waarin de rechter zich beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, is geen sprake.
10. Voor wat betreft de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat [medeverdachte 1] het geld dat door [A] werd betaald aan [B] anders dan door misdrijf onder zich had, geldt het volgende. De steller van het middel wijst op bewijsmiddel 5, behelzende een verklaring van [medeverdachte 1], waarin deze verklaart over de door haar te veel gedeclareerde overuren. Op grond van die verklaring zou zij als medepleger van oplichting kunnen worden beschouwd, welke vaststelling onverenigbaar is met de bewezenverklaring dat zij het geld anders dan door misdrijf onder zich had, aldus de steller van het middel. Aldus is er aan voorbij gezien dat het Hof, mede gelet op de nadere bewijsoverweging, juist niet het oog heeft gehad op de te veel gedeclareerde overuren, maar op de premiegelden. Dat [medeverdachte 1] die gelden anders dan door misdrijf onder zich had, volgt onder meer uit bewijsmiddel 27. Hieruit volgt immers dat [medeverdachte 1] de ontvangen premiegelden van [A] niet binnen de daarvoor staande tijd van drie maanden overboekte, en in veel gevallen ook niet na die drie maanden, naar de verzekeringsmaatschappijen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] tegenover een medewerkster verklaard dat zij met de gelden wilde beleggen.
11. Het eerste middel faalt.
12. Het tweede middel klaagt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip "geschrift bestemd om tot bewijs te dienen".
13. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op een tijdstip omstreeks de maanden juli en augustus 2000 op het eiland Curaçao, de notulen van een vergadering van de Raad van Commissarissen van [A] N.V. d.d. 12 juli 2000, zijnde een geschrift waaruit enig recht en/of enige verbintenis kon ontstaan en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die notulen onder punt "4. [A] N.V." opgenomen - zakelijk weergegeven - dat het verzoek van verzekeringsmakelaar [B] N.V., daterend uit 1996 en inhoudende de beschikbaarstelling van haar diensten is besproken en bediscussieerd en dat de Raad van Commissarissen unaniem tot de conclusie is gekomen en een besluit van goedkeuring heeft genomen dat het verzekeringspakket van [A] N.V., aan [B] N.V. wordt toegewezen, terwijl in werkelijkheid tijdens genoemde vergadering geen verzoek van [B] N.V. is besproken en bediscussieerd en de Raad van Commissarissen geen besluit van goedkeuring heeft genomen omtrent het verzekeringspakket van [A] N.V., zulks met het oogmerk omdat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan".
14. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid.
(i) De notulen van de vergadering van 12 juli 2000 houden - kort samengevat - in dat een verzoek van [B] wordt besproken en dat de Raad van Commissarissen unaniem tot de conclusie komt en tot een besluit van goedkeruing, het [A] verzekeringspakket mogelijk deels, toe te wijzen aan [B] en tot het besluit de algemeen directeur en financiële manager onderhandelingen met [B] te openen. (bewijsmiddel 31)
(ii) De notuliste heeft verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat er op 12 juli 2000 überhaupt over [B] is gesproken. Voorts herinnert zij zich dat ze deze punten aangeleverd heeft gekregen van verdachte en dat ze vervolgens zijn aantekeningen heeft verwerkt in de notulen van 12 juli 2000. (bewijsmiddel 32)
(iii) [getuige 2] heeft verklaard dat op 12 juli 2000 geen beslissing van de Raad van Commissarissen heeft plaatsgevonden. (bewijsmiddel 33)
(iv) [getuige 3] heeft verklaard dat hij in de notulen ziet dat er over het verzoek van [B] is gesproken, maar dat hij nooit een verzoek van [B] heeft gezien. Er werd in de eerste zes maanden van 2001 voor het eerst over [B] gesproken. Voorts verklaart hij nooit in een vergadering te zijn geweest, alwaar gestemd moest worden om een verzekeringspakket geheel of gedeeltelijk aan [B] toe te wijzen. De notulen zijn volgens hem, in ieder geval met betrekking tot het gedeelte over [B], in strijd met de waarheid. (bewijsmiddel 34)
15. De steller van het middel betoogt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de notulen van 12 juli 2000 zijn aan te merken als een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit re dienen. Dit omdat uit die bewijsmiddelen niet blijkt dat de notulen door de Raad van Commissarissen zijn gearresteerd cq geaccordeerd.
16. Het cassatiemiddel bestrijdt niet dat geaccordeerde en ondertekende notulen van de Raad van Commissarissen van een onderneming als de onderhavige kunnen worden aangemerkt als een geschrift dat tot het bewijs van enig feit kan dienen. Ook mij schijnt het toe dat een dergelijk geschrift de door art. 230 Sr Pro-NA vereiste bewijsstemming heeft. Aan de notulen van een vergadering als de onderhavige pleegt in het maatschappelijke verkeer betekenis te worden toegekend voor het bewijs van hetgeen op die vergadering is verhandeld en besloten.
17. Is dit anders als de notulen niet zijn geaccordeerd? Op zich zelf natuurlijk niet. De valsheid kan immers mede hieruit bestaan dat de notulen zijn getekend als zijnde geaccordeerd, terwijl goedkeuring door de vergadering in werkelijkheid niet heeft plaats gevonden. De vraag die de steller van het middel kennelijk bedoelt op te werpen is of de notulen eerst de vereiste bewijsbestemming hebben als zij - zij het wellicht valselijk - zijn getekend ten bewijze van accordering.
18. Voor de bevestigende beanwoording van deze vraag wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op HR 19 september 1988, NJ 1989, 534. Uit dit arrest lijkt inderdaad te moeten worden afgeleid dat een als voorstel van B&W aan de gemeenteraad resp. als raadsbesluit gepresenteerd stuk geen bewijsbestemming heeft als niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarde van ondertekening door burgemeester en gemeentesecretaris.(2) Het verschil met de onderhavige casus is uiteraard dat een wettelijke regeling die ondertekening voorschrijft, in casu ontbreekt. Maar er is ook nog een ander verschil. Stukken als waarvan in NJ 1989, 534 sprake was, kunnen onmiddellijk worden ondertekend. Dat is met de notulen van een vergadering niet het geval. Gewacht dient te worden tot de volgende vergadering, alwaar accordering kan plaats hebben. In de tussentijd leiden de notulen dus een niet gearresteerd bestaan. Het zou bijzonder onpraktisch zijn als al die tijd aan de ter vergadering genomen besluiten geen uitvoering zou kunnen worden gegeven en als bij die uitvoering niet zou kunnen worden afgegaan op de (concept)notulen van de vergadering. Ook niet ondertekende notulen leiden dus een bestaan waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis wordt toegekend.
19. Daar komt nog iets bij. Ter terechtzitting van het Hof is door de verdediging onder meer aangevoerd:
"De notulen van 12 juli 2000 zijn op 16 oktober 2000 door de RvC goedgekeurd. Iedere eventuele gebrekkigheid in de notulen van 12 juli 2000 is hiermee verholpen en definitief van de baan."
Daarmee staat uiteraard in cassatie niet vast dat de notulen zijn geaccordeerd.(3) Maar het wijst wel op de mogelijkheid dat uit de geaccordeerde notulen van een andere vergadering blijkt dat niet ondertekende notulen toch zijn goedgekeurd. Aan de bewijskracht van die notulen zal dan in het maatschappelijk verkeer weinig twijfel bestaan. Dat brengt mij op mogelijk nog een verschil met de stukken waarvan in NJ 1989, 534 de reden was. De Hoge Raad lijkt van belang te hebben geacht dat sprake was van stukken die , zoals art. 75 Gemeentewet Pro (oud) bepaalde, van de raad "uitgaan". Het ging met andere woorden om publieke stukken met een sterke externe werking. De notulen van een Raad van Commissarissen kunnen wellicht beter vergeleken worden met valse facturen in een boekhouding, waarvan de bewijsbestemming pas actueel wordt als de administratie wordt gecontroleerd. De context waarin het (vervalste) stuk wordt aangetroffen, kan de bewijsbestemming ervan ondersteunen. Aan niet ondertekende (concept)notulen die zich in de eigen administratie van de Raad van Commissarissen bevinden (zeg maar in de ordner Notulen RvC) zal niet snel elke bewijsbetekenis worden ontzegd enkel omdat de vereiste handtekeningen ontbreken. Dat geldt temeer als in de desbetreffende organisatie niet strak de hand pleegt te worden gehouden aan het vereiste van arrestatie.(4)
20. Ik zou daarom menen dat niet in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat aan notulen in het maatschappelijke verkeer pas bewijsbetekenis toekomt wanneer zij zijn getekend als waren zij geaccordeerd. Dat zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Ter terechtzitting van het Hof is door de verdediging niet aangevoerd dat de notulen van 12 juli 2000 geen bewijsbestemming hadden omdat zij niet waren gearresteerd. Eerder het tegendeel is het geval. Dat maakt mijns inziens dat het Hof, zonder gehouden te zijn zijn oordeel op dit punt nader te motiveren, uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de bewuste notulen bestemd waren om tot het bewijs van enig feit te dienen. Dat aan de notulen wel degelijk bewijsbestemming toekwam, wordt onderstreept door de de als bewijsmiddelen 35 en 36 opgenomen geschriften waarin ter ondersteuning van het daarin gestelde wordt verwezen naar het genomen besluit van 12 juli 2000 om het verzekeringspakket van [A] onder te brengen bij [B].
21. Ook het tweede middel faalt.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De vraag of het in casu wel ging om medeplegen van verduistering (gedacht kan ook worden aan opzetheling van reeds door [medeverdachte 1] verduisterde gelden), kan mijns inziens blijven rusten nu daarover in de middelen niet wordt geklaagd.
2 Enige twijfel is gerechtvaardigd omdat de primaire vraag was wanneer gesproken kan worden van het valselijk opmaken van een dergelijk stuk.
3 Een blik achter de papieren muur leert dat de notulen van 12 juli 2000 in de vergadering van 16 oktober 2000 zijn gearresteerd. De notulen van 16 oktober 2000 zijn blijkens de ondertekening op 10 januari 2001 gearresteerd.
4 Uit de stukken die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de notulen van vergaderingen van de Raad van Commissarissen niet altijd werden geaccordeerd. Sommige notulen zijn door de verdachte en de secretaris ondertekend, andere alleen door de secretaris en sommige door geen van beiden. Het laatste was met de notulen van 12 juli 2000 het geval.