ECLI:NL:PHR:2006:AW0475

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02021/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 141 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rekening houden met niet tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid bij strafoplegging

De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin verdachte is veroordeeld voor openlijk in vereniging geweldplegen tegen een persoon. Het hof legde een taakstraf van 100 uur op, subsidiair 50 dagen hechtenis, en kende een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.

In cassatie werd aangevoerd dat de redelijke termijn was overschreden en dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door strafverzwarende omstandigheden mee te wegen die niet tenlastegelegd waren. De Hoge Raad constateerde dat de cassatiefase met 21 dagen was overschreden, wat een schending van de redelijke termijn oplevert, maar oordeelde dat volstaan kon worden met een constatering en een vermindering van de taakstraf tot 90 uur.

Voorts bevestigde de Hoge Raad dat de rechter bij de strafoplegging rekening mag houden met strafverzwarende omstandigheden die niet tenlastegelegd zijn, mits deze tijdens de terechtzitting zijn gebleken en de straf binnen het wettelijke maximum blijft. Dit betekent dat het hof niet de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de ernst van het letsel mee te wegen bij de strafoplegging.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde de aangepaste strafoplegging. De zaak benadrukt de nuance in de toepassing van de grondslagleer en de ruimte voor de rechter om feiten die niet tenlastegelegd zijn mee te wegen bij strafoplegging binnen de wettelijke grenzen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de taakstraf van 100 naar 90 uur vanwege termijnoverschrijding.

Conclusie

Nr. 02021/05
Mr. Vellinga
Zitting: 4 april 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.166,75, ter zake een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
4. De verdachte heeft op 1 november 2004 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 22 juli 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de mate overschrijding en de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.(1)
5. Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
6. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, nu aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], terwijl het Hof in het kader van de strafmaat heeft overwogen dat de verdachte op hoogst agressieve wijze het slachtoffer onder meer heeft geschopt tegen diens lichaam ten gevolge waarvan het slachtoffer blijvend lichamelijk letsel heeft opgelopen.
7. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 13 mei 2001 te Brouwershaven, in de gemeente Schouwen-Duiveland, met een ander, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten aan de Noorddijkstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het vastpakken van die [slachtoffer] en het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en het trekken aan de hoofdharen van die [slachtoffer]."
8. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder het hoofd "strafmotivering" het volgende overwogen:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte heeft bij die gelegenheid op hoogst agressieve wijze het slachtoffer onder meer geschopt tegen diens lichaam. Ten gevolge daarvan heeft het slachtoffer blijvend lichamelijk letsel opgelopen. Door aldus te handelen is ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Mede gelet op het openlijke karakter brengt een feit zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.
Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt."
9. Blijkens de toelichting klaagt het middel er over dat aan de verdachte openlijke geweldpleging zonder de in art. 141, tweede lid onder 1°, Sr genoemde strafverzwarende omstandigheid is tenlastegelegd, terwijl uit de strafmotivering volgt dat het Hof bij de bepaling van de straf die strafverzwarende omstandigheid wel heeft meegewogen en dusdoende in feite de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
10. Art. 141 Sr Pro luidt, voorzover hier van belang:
"1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (...) worden gestraft (...).
2. De schuldige wordt gestraft:
1° (...) indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft."
11. Het middel miskent dat ook al is een strafverzwarende omstandigheid niet tenlastegelegd, de rechter bij de strafoplegging rekening kan houden met bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken feiten, die een dergelijke strafverzwarende omstandigheid opleveren.(2) Of, zoals de Hoge Raad(3) het omschrijft in een geval waarin de strafverzwarende omstandigheid van art. 312 lid 3 Sr Pro ten laste was gelegd en niet bewezen was verklaard doch bij de strafoplegging wel rekening was gehouden met de omstandigheid dat iemand bij het plegen van diefstal met geweld was doodgeschoten:
"dat de rechter bij de oplegging van de straf de grenzen die de wet voor de op het bewezenverklaarde gestelde straf heeft aangegeven niet mag overschrijden, doch overigens, anders dan middel IV blijkens de toelichting wil, noch in enige wetsbepaling, noch in "het wettelijk systeem" een verbod kan worden gevonden, ten laste van de verdachte rekening te houden met enige, bij het onderzoek op de terechtzitting gebleken bezwarende omstandigheid";
12. De Jong(4) noemt HR 9 mei 1961, NJ 1962, 84(5) waarin werd beslist dat bij de strafoplegging kon worden meegewogen dat de verdachte onder invloed had gereden van alcoholhoudende drank, hoewel de tenlastelegging beperkt was gebleven tot het in gevaar brengen van de veiligheid op de weg (art. 25 WVW Pro oud).(6)
13. De gedachte dat de rechter bij de strafoplegging rekening mag houden met feiten die niet zijn tenlastegelegd komt het meest uitgesproken naar voren bij strafbare feiten die "ad informandum" zijn gevoegd. Onder bepaalde voorwaarden mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met die feiten ook al zijn deze niet tenlastegelegd, door Corstens aangemerkt als de meest vergaande uitzondering op de grondslagleer.(7) Ook verdient in dit verband vermelding dat voor oplegging van de straf van ontzegging van de rijbevoegdheid niet is vereist dat is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat het feit is begaan als bestuurder van een motorrijtuig (HR 18 januari 2000, NJ 2000, 589, m. nt. D.H. de Jong).
14. Tegen deze achtergrond moet de omstandigheid dat de Officier van Justitie de strafverzwarende omstandigheid niet heeft tenlastegelegd aldus worden begrepen dat de Officier van Justitie niet hecht aan het hogere strafmaximum dat aan de strafverzwarende omstandigheid is verbonden doch niet ook dat die omstandigheid bij de strafoplegging in het geheel niet zou moeten meewegen.(8)
15. Het middel faalt.(9)
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 15 oktober 2002, nr. 01949/01 (LJN: AE7382); HR 18 november 2003, nr. 02808/02 (LJN: AL8475), HR 30 november 2004, nr. 00136/04 (LJN: AR3665), HR 19 april 2005, nr. 02337/04 (LJN: AS9237) en HR 20 december 2005, nr. 03305/04 E.
2 D.H. de Jong, De macht van de tenlastelegging in het strafproces, diss. Groningen 1981, p. 169 e.v.
3 HR 19 maart 1974, NJ 1974, 245.
4 A.w,. p. 169.
5 In dezelfde zin HR 27 november 1973, NJ 1974, 54.
6 Zie ook HR 25 november 1980, NJ 1981, 170, nt. ThWvV waar niet bewezen was verklaard dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, tijdens het rijden onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat het bloedalcoholgehalte meer bedroeg dan 0,5, mg/l, maar verdachtes alcoholgebruik wel mocht meetellen bij de bepaling van de straf.
7 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 617.
8 Uiteraard gaat dit niet zover dat de rechter vervolgens juist op grond van die strafverzwarende omstandigheid mag besluiten tot een hogere straf dan door de Officier van Justitie is gevorderd: HR 23 november 1993, DD 1994/133. Zie ook HR 5 februari 2002, NJ 2003, 126 (Antilliaanse zaak).
9 Mijn voormalig ambtgenoot mr. Remmelink zegt in zijn conclusie bij HR 19 maart 1974, NJ 1974, 245 van de door het tweede middel aangesneden vraag:"Een bekende kwestie, dunkt me, .." Recente rechtspraak over genoemde vraag heb ik niet kunnen vinden. Daarom heeft afdoening op de voet van art. 81 RO Pro niet mijn voorkeur.