ECLI:NL:PHR:2006:AW2089

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/082HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 ROArt. 88 lid 4 RvArt. 332 RvArt. 398 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over motiveringsplicht bij niet-verschijnen ter comparitie in civiele procedure

In deze civiele zaak vorderde de verweerder betaling van een bedrag wegens vervaardiging van een nieuw frame door hem als tandarts. De eiser voerde gemotiveerd verweer dat hij geen opdracht had gegeven en dat het frame niet passend was. De kantonrechter bepaalde een comparitie waarbij eiser, hoewel opgeroepen, niet verscheen. De kantonrechter concludeerde daarop dat het verweer was prijsgegeven en wees de vordering toe.

De eiser stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat het enkel niet-verschijnen ter comparitie onvoldoende is om te concluderen dat het verweer is prijsgegeven zonder nadere motivering. De kantonrechter had onvoldoende inzicht gegeven in zijn beslissing, waardoor het vonnis niet voldeed aan de motiveringsplicht.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare situaties aan de orde waren en benadrukt dat een dergelijke conclusie niet zonder meer mag worden getrokken. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot vernietiging van het vonnis en verwijzing van de zaak naar een andere rechter.

Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt verwezen.

Conclusie

Rolnr. C05/082HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 10 februari 2006
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
1. Procesverloop(1)
1.1 Bij inleidende dagvaarding van 6 mei 2004 heeft verweerder in cassatie, [verweerder], eiser tot cassatie, [eiser], gedagvaard voor de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 846,40, vermeerderd met de wettelijke rente over € 696,40 vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Aan deze vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat hij als tandarts in opdracht en voor rekening van [eiser] een nieuw frame voor [eiser] heeft gemaakt.
1.2 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat hij nimmer opdracht heeft gegeven aan [verweerder] om een nieuw frame voor hem te maken. Subsidiair heeft hij gesteld dat het niet bestelde, maar wel vervaardigde frame niet past, zodat [verweerder] geen opeisbare vordering op hem heeft.
1.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juni 2004 een comparitie gelast op 18 november 2004 en bepaald dat beide partijen bij de zitting aanwezig moeten zijn, zo nodig vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd is om inlichtingen te geven en een schikking aan te gaan(2).
1.4 Bij vonnis van 19 november 2004 heeft de kantonrechter [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [verweerder] het bedrag van € 803,01 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 696,40 vanaf 6 mei 2004 tot aan de dag van algehele voldoening en [eiser] veroordeeld in de kosten van procedure.
1.5 Tegen dit vonnis heeft [eiser] tijdig(3) cassatieberoep ingesteld.
[Verweerder] is in cassatie niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Op grond van art. 398 Rv Pro. kunnen partijen beroep in cassatie instellen tegen uitspraken die in eerste en hoogste ressort zijn gewezen. Daartoe kunnen onder meer de vonnissen van kantonrechters worden gerekend, indien de vordering niet meer dan € 1750,-- bedraagt (art. 332 Rv Pro.). Daarvan is in de onderhavige zaak sprake.
2.2 De gronden voor het beroep in cassatie tegen een niet appellabel vonnis van de kantonrechter zijn ingevolge art. 80 RO Pro (art. 100 RO Pro oud) echter beperkt(4). Cassatie wegens schending van het recht is uitgesloten. Beroep in cassatie wegens het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis berust, is wel mogelijk.
2.3 Wanneer een middel naar de vorm een motiveringsklacht is, maar in wezen een rechtsklacht behelst, volgt in cassatie niet-ontvankelijkverklaring(5). Vaste rechtspraak is tevens dat de beoordeling van de begrijpelijkheid van een motivering afstuit op art. 80 RO Pro indien daarin tevens de juistheid moet worden betrokken van de rechtsopvatting waarvan de kantonrechter is uitgegaan(6).
2.4 Het middel is gericht tegen rechtsoverweging 2 van het vonnis van 19 november 2004. Daarin heeft de kantonrechter als volgt geoordeeld:
"[Eiser] heeft bij antwoord verweer gevoerd. Bij voornoemd tussenvonnis is een comparitie van partijen bepaald op 18 november 2004. [eiser] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het verweer niet langer wordt gehandhaafd. De vordering zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de gebruikelijke staffel worden gesteld op € 80,92 inclusief btw."
2.5 Het middel klaagt allereerst dat de kantonrechter, door uit de enkele omstandigheid dat [eiser] niet ter comparitie van 18 november 2004 is verschenen, af te leiden dat [eiser] zijn verweer heeft prijsgegeven, zo weinig inzicht in zijn gedachtegang heeft gegeven dat het vonnis niet de gronden inhoudt waarop het berust.
2.6 Het middel slaagt.
De onderhavige zaak vertoont grote gelijkenis met het door de Hoge Raad op 13 december 1996, NJ 1998, 46 m.nt. HJS berechte geval(7). In die zaak leidde de kantonrechter uit het feit dat de werkgever (JTP) niet had gedupliceerd, af dat de werkgever niet langer volhardde bij het gevoerde verweer, waarop de vordering van de werknemer ([A]) als onvoldoende gemotiveerd betwist werd toegewezen. De HR oordeelde:
"3.4(...) De door het onderdeel tegen voormeld oordeel gerichte motiveringsklacht treft evenwel doel. Door uit de enkele omstandigheid dat JTP na de repliek van [A] niet meer heeft gedupliceerd, af te leiden dat JTP haar verweer heeft prijsgegeven, en daarbij niet aan te geven welke van de door [A] in appel ter adstructie van zijn beroep op bedrog of arglist van JTP aangevoerde stellingen door dit veronderstelde prijsgeven als onbetwist zouden moeten worden aangemerkt, heeft de kantonrechter zo weinig inzicht in zijn gedachtengang gegeven dat van zijn beslissing niet kan worden gezegd dat zij de gronden inhoudt waarop zij berust."
2.7 Nu de kantonrechter in de onderhavige zaak slechts uit het niet verschijnen ter comparitie heeft afgeleid dat [eiser] zijn gevoerde verweer heeft prijsgegeven, heeft de kantonrechter onvoldoende inzicht gegeven in de gronden van zijn beslissing.
De overige klachten van het middel behoeven geen verdere bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor de beoordeling van de zaak in cassatie kan een weergave van de feiten achterwege blijven. Door de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen zijn in het vonnis van 25 juni 2004 overigens ook geen feiten vastgesteld.
2 Onder 1.1 van het middel wordt gesproken over een proces-verbaal van de (comparitie)zitting. Dit proces-verbaal bevindt zich niet in het door [eiser] overgelegde procesdossier. Op mijn verzoek heeft de griffie van de Hoge Raad bij de griffie van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen het griffiedossier opgevraagd. Medegedeeld is dat er geen griffiedossier is.
3 De cassatiedagvaarding is 18 februari 2005 uitgebracht.
4 Asser Procesrecht / Veegens - Korthals Altes - Groen (2005), p. 280-282.
5 Laatstelijk HR 31 oktober 2003, NJ 2004, 680.
6 Conclusie A-G Langemeijer onder 2.1 vóór HR 30 januari 2004, C02/245HR, LJN AN7529 (art. 81 RO Pro) met verdere verwijzingen.
7 Zie voorts HR 21 november 1986, NJ 1987, 232; HR 6 februari 1987, NJ 1987, 485. Vgl. ook HR 15 maart 1968, NJ 1968, 301. Anders, maar met bijkomende omstandigheden: Ktr. Eindhoven 11 januari 1984, NJ 1985, 544.