ECLI:NL:PHR:2006:AW2582
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaringstermijn bij vordering wegens levering verontreinigde grond en onrechtmatige daad
In deze zaak stond centraal of de verjaringstermijn van vijf jaar uit art. 3:310 BW Pro of de kortere termijn van twee jaar uit art. 7:23 lid 2 BW Pro van toepassing is op vorderingen van een koper van verontreinigde grond, die zijn gebaseerd op wanprestatie en onrechtmatige daad. De gemeente had een perceel grond verkocht met een schone-grondverklaring, maar de grond bleek verontreinigd. De koper stelde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld en vorderde schadevergoeding.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de korte verjaringstermijn van twee jaar geldt, omdat het geschil draait om non-conformiteit van de zaak. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat ook vorderingen op grond van onrechtmatige daad die feitelijk zijn gebaseerd op non-conformiteit onder deze korte termijn vallen. Bewuste misleiding door de gemeente was niet aannemelijk gemaakt.
De Hoge Raad benadrukt dat het verjaringsregime eenvoudig en uniform moet zijn en dat het niet wenselijk is dat vorderingen op verschillende gronden uiteenlopende termijnen kennen. De verjaringstermijn van twee jaar geldt daarom ook voor onrechtmatige daad in gevallen als deze, tenzij sprake is van een onrechtmatige daad die losstaat van de contractuele verplichtingen. De conclusie is dat de vordering van de koper verjaard is volgens art. 7:23 lid 2 BW Pro.
Uitkomst: De vordering van de koper is verjaard op grond van de korte verjaringstermijn van twee jaar uit art. 7:23 lid 2 BW, ook voor de op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen.