ECLI:NL:PHR:2006:AW6161
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van de Staat tot het eenzijdig vaststellen van gebruiksvergoeding voor staatsgrond bij tankstation
In deze civiele zaak staat centraal of de Staat als eigenaar van grond waarop een deel van een tankstation is gelegen, eenzijdig een vergoeding kan vaststellen voor het gebruik van die grond zonder wilsovereenstemming met de exploitant. De exploitant, rechtsopvolger van de oorspronkelijke concessiehouder, betwist de hoogte van de door de Staat gevorderde vergoeding en weigert deze te voldoen.
De feiten betreffen een tankstation dat deels op provinciale grond stond, die later eigendom werd van de Staat. De exploitant beschikte over vergunningen voor het gebruik van de grond, maar de Staat stelde een nieuw, aanzienlijk hoger vergoedingssysteem in zonder instemming van de exploitant. De Staat vorderde betaling en ontruiming bij weigering.
De rechtbank veroordeelde de exploitant tot betaling en ontruiming, maar het hof vernietigde deze vonnissen en wees de vorderingen af, stellende dat de exploitant vrij is haar wil te bepalen ten aanzien van het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst en dat ontruiming niet kan worden bevolen zolang geen overeenstemming is bereikt over de vergoeding.
De Hoge Raad bevestigt dat de Staat niet bevoegd is om eenzijdig de vergoeding vast te stellen en dat de exploitant niet zonder recht of titel gebruikmaakt van de grond zolang zij beschikt over een vergunning. Ook overweegt de Hoge Raad dat de situatie een inmenging in het eigendomsrecht van de exploitant kan vormen onder art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM, en dat de Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Staat niet eenzijdig de vergoeding kan vaststellen en ontruiming niet gerechtvaardigd is zonder overeenstemming.