1 Ontleend aan rov. 4.3 van het tussenarrest van het hof van 20 januari 2004 en de feitenvaststelling uit rov. 2.1 - 2.9 van het tussenvonnis uit de eerste aanleg van 28 januari 2000, waarnaar daar wordt verwezen.
2 Ik zal hierna de partijen als "Danka" en "LWB" aanduiden, ook waar ik het heb over gebeurtenissen die plaatsvonden toen alleen rechtsvoorgangers (of rechtsopvolgers) van de huidige procespartijen daarbij betrokken waren - het telkens herhalen van "(de rechtsvoorganger(s) of rechtsopvolger(s) van...)" werkt eerder verwarrend dan verhelderend.
3 Het eindarrest is van 5 oktober 2004, de cassatiedagvaarding van 5 januari 2005.
4 Daarmee sloten de deskundigen aan bij de hun verstrekte opdracht, zie de met 1. genummerde vraag op p. 2 van het nadere tussenvonnis van de rechtbank van 27 otkober 2000.
5 De rechtbank vermeldt in die rov. tweemaal de door deskundigen aangehouden datum, zonder daarvan afstand te nemen.
6 Het feit dat Danka in de al even genoemde grief II in appel bezwaar maakte tegen de voor de schadebepaling tot uitgangspunt genomen datum van 5 maart 1997, wijst er op dat (ook) Danka de eerdere overweging van de rechtbank - de rov. 6.2 die thans in cassatie wordt aangehaald - niet zo heeft opgevat, dat daarin al een oordeel werd gegeven over een (andere, op een eerder tijdstip gelegen) datum van tekortkoming/schadeveroorzaking.
7 HR 19 december 2003, NJ 2004, 386 m.nt. PCEvW, rov. 3.5 (uitleg uitspraak bestuursrechter); HR 7 november 2003, NJ 2004, 99 m.nt. TK, rov. 3.5; HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2; HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584 m.nt. CJHB, rov. 3.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 61 (bij noot 5, p. 134).
8 Althans: in de toelichting op de grief, zie alinea's 36 en 37 van de Memorie van Grieven; Zie ook de pleitnota van de kant van Danka in appel, alinea's 9 en 25.
9 Zie over dit leerstuk o.a. HR 20 januari 2006, rechtspraak.nl LJN AU5284, rov. 5.3; HR 13 januari 2006, rechtspraak.nl LJN AU3715, rov. 4.1; HR 8 april 2005, rechtspraak.nl LJN AS9447, rov. 3.2.2; HR 28 januari 2005, rechtspraak.nl LJN's AR6458 en AR6459 ("parallel-zaken"), rov. 4.5; HR 11 juni 2004, NJ 2005, 282 m.nt. HJS, rov. 3.4.2 - 3.5; HR 19 december 2003, RvdW 2004, 10, rov. 4.2.3; HR 7 maart 2003, NJ 2005, 102 m.nt. WMK, rov. 3.6.2; HR 1 november 2002, NJ 2005, 281 m.nt. HJS onder nr. 282, rov. 3.4; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 136, 148 en 172; Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, 2004, nrs. 74 - 81; Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs. 216 en 219 - 225; zie ook, met verdere verwijzingen, alinea 7 van de conclusie van de P-G voor HR 26 maart 2004, NJ 2004, 309 m.nt. PvS (waaraan nog kan worden toegevoegd de noot van G.R. Rutgers in AAe 2004, p. 283 e.v. en rov. 3.2.4 van het aangehaalde arrest zelf).
10 Al kan het soms aanbeveling verdienen om zich nog vóórdat beoordeling van de grieven aan de orde komt al rekenschap te geven van datgene waartoe toepassing van de "devolutieve werking" leidt, zie bijvoorbeeld HR 12 november 2004, NJ 2005, 24, rov. 3.2.3 - 3.4.