ECLI:NL:PHR:2006:AX6283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klaagschrift tegen teruggave inbeslaggenomen auto aan derde rechthebbende
In deze zaak gaat het om een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het voornemen van de officier van justitie om een inbeslaggenomen personenauto terug te geven aan een derde, niet aan de beslagene. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de auto niet aan de klager teruggegeven diende te worden omdat deze ervan verdacht werd zich schuldig te maken aan heling. De officier van justitie had aangegeven dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen teruggave aan de derde verzet.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd door niet eerst te onderzoeken of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag nog vorderde. Indien het OM aangeeft dat het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave, dient de rechter alleen te toetsen of de derde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Verder is besproken dat de klager zich op artikel 3:86 BW Pro beroept omdat hij de auto te goeder trouw zou hebben verworven van een onbevoegde vervreemder. De Hoge Raad oordeelt dat de door klager gestelde feiten onvoldoende zijn om deze bescherming toe te passen, mede omdat de auto gestolen was en klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vervreemder een handelaar was die aan de voorwaarden van artikel 3:86 BW Pro voldeed.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de middelen van cassatie falen en dat het beroep moet worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht het klaagschrift ongegrond heeft verklaard op grond van de juiste toepassing van het criterium wie als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto is ongegrond verklaard en de auto mag aan de derde rechthebbende worden teruggegeven.