ECLI:NL:PHR:2006:AX6283

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02607/05 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 116 SvArt. 94 SvArt. 134 lid 2 onder a SvArt. 3:86 BW
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling klaagschrift tegen teruggave inbeslaggenomen auto aan derde rechthebbende

In deze zaak gaat het om een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het voornemen van de officier van justitie om een inbeslaggenomen personenauto terug te geven aan een derde, niet aan de beslagene. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de auto niet aan de klager teruggegeven diende te worden omdat deze ervan verdacht werd zich schuldig te maken aan heling. De officier van justitie had aangegeven dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen teruggave aan de derde verzet.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd door niet eerst te onderzoeken of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag nog vorderde. Indien het OM aangeeft dat het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave, dient de rechter alleen te toetsen of de derde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Verder is besproken dat de klager zich op artikel 3:86 BW Pro beroept omdat hij de auto te goeder trouw zou hebben verworven van een onbevoegde vervreemder. De Hoge Raad oordeelt dat de door klager gestelde feiten onvoldoende zijn om deze bescherming toe te passen, mede omdat de auto gestolen was en klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vervreemder een handelaar was die aan de voorwaarden van artikel 3:86 BW Pro voldeed.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de middelen van cassatie falen en dat het beroep moet worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht het klaagschrift ongegrond heeft verklaard op grond van de juiste toepassing van het criterium wie als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto is ongegrond verklaard en de auto mag aan de derde rechthebbende worden teruggegeven.

Conclusie

Nr. 02607/05 B
Mr Machielse
Zitting 23 mei 2006
Conclusie inzake:
[klager]
1. Op 13 juli 2005 heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad het klaagschrift van betrokkene, strekkende tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen auto van het merk BMW, gekentekend [AA-BB-00], ongegrond verklaard. Het klaagschrift is ingediend als reactie op een mededeling van de officier van justitie van 6 mei 2005 waarin deze aan betrokkene zijn voornemen kenbaar maakte de BMW aan de rechtmatige eigenaar terug te zullen geven.
2. Mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingediend houdende vier middelen van cassatie.
3. De ongegrondverklaring is in de beschikking als volgt gemotiveerd:
"De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken.
Op grond van de inhoud van voormelde stukken is de rechtbank van oordeel dat de in beslagname van de personenauto op zichzelf gerechtvaardigd is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de inhoud van vermelde stukken, de in beslag genomen auto niet aan klager dient te worden teruggegeven, nu klager ervan verdacht wordt zich schuldig te hebben gemaakt aan heling van onderhavige auto. De auto is daarmee voorwerp van een strafrechtelijk onderzoek, hetwelk mogelijkerwijs kan uitmonden in een strafrechtelijke vervolging. De rechter zal daarover dan te zijner tijd beslissen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het klaagschrift (AM, lees: on)gegrond verklaren."
4.1. Het eerste middel voert aan de dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd. De rechtbank had eerst dienen na te gaan of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag nog vorderde en vervolgens, als deze vraag ontkennend zou worden beantwoord, had de rechtbank zich moet buigen over de vraag aan wie het inbeslaggenomen voorwerp zou moeten worden teruggegeven; de beslagene of een derde rechthebbende. De rechtbank had, aldus nog steeds het middel, eerst moeten onderzoeken of [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt.(1) Volgens klager is dat niet het geval en had daarom de rechtbank niet anders kunnen beslissen dan tot gegrondverklaring van het klaagschrift en tot teruggave van de auto aan betrokkene.
Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de auto voorwerp van strafrechtelijk onderzoek is, nu het OM het voornemen heeft geuit de auto aan een derde terug te geven. Daaruit is af te leiden dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave.
Het eerste en derde middel lenen zich mijns inziens voor een gezamenlijke bespreking.
4.2. Als de officier van justitie zijn voornemen te kennen geeft een inbeslaggenomen voorwerp, waarvan de beslagene geen afstand heeft gedaan, terug te geven aan een derde die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (art. 116 lid 2 onder Pro a Sv), ligt daarin besloten dat naar het oordeel van het OM het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave.(2) In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van evenvermeld punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.
In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het, kennelijk op de voet van art. 94 Sv Pro gelegde, beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - dient de rechtbank te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt.(3)
4.3. De hiervoor aangehaalde overwegingen van de rechtbank kunnen aanleiding geven tot een misverstand. Men zou in die overwegingen kunnen lezen dat de auto nog steeds voorwerp van strafrechtelijk onderzoek is en dat daarom het belang van strafvordering zich tegen teruggave aan klager verzet. Anderzijds doet de rechtbank blijken, door het klaagschrift ongegrond te verklaren, dat de bezwaren tegen teruggave aan de derde-rechthebbende geen hout snijden.
4.4. Uit de overweging waarin de rechtbank als zijn oordeel te kennen geeft dat de inbeslaggenomen auto niet aan klager dient te worden teruggegeven, nu klager ervan verdacht wordt zich schuldig hebben gemaakt aan heling, maak ik op dat de rechtbank van mening is dat niet klager maar de derde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Door de overwegingen aldus te lezen komt aan het eerste en derde middel, die betogen dat de rechtbank van een verkeerd criterium is uitgegaan en dat (daarom) de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is, de feitelijke grondslag te ontvallen.
5.1. Het tweede middel klaagt eveneens over de motivering van de beslissing van de rechtbank. Door ongegrondverklaring van het beklag kan de officier van justitie overgaan tot uitvoering van het voornemen om de auto terug te geven aan de bestolene. Als dat is gebeurd zou de strafrechter niet meer kunnen oordelen over de inbeslaggenomen auto. Aldus is de motivering van de beslissing van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk.
5.2. Door teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt eindigt inderdaad het beslag (artikel 134 lid 2 onder Pro a Sv). Vanaf dat moment is de mogelijkheid voor beslagene om zich bij de strafrechter te beklagen over het uitblijven van last tot teruggave aan hem, afgesneden. Het zesde lid van artikel 116 Sv Pro bepaalt dat de beslissingen ex artikel 116 Sv Pro ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laten en verwijst de beslagene aldus naar de civiele rechter. De rechtbank heeft over het hoofd gezien dat door teruggave aan de derde het beslag tot een einde komt. Maar indien men de overwegingen van de rechtbank aldus leest dat in deze zaak de derde redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt en dat daarom het voorwerp niet aan klager dient te worden teruggegeven, dragen deze overwegingen de beslissing zelfstandig.
Het middel faalt.
6.1. Het vierde middel klaagt dat de rechtbank niet heeft gereageerd op het verweer van klager dat hij als rechthebbende moet worden aangemerkt omdat hij de auto te goeder trouw heeft verworven.
Kennelijk bedoelt de steller van het middel dat de auto weliswaar aan klager is overgedragen door een onbevoegde, maar dat dit niet om niet geschiedde en dat klager blijkens zijn controle van de autopapieren en de gangbare prijs die hij voor de auto heeft betaald, te goeder trouw is geweest en daarom een beroep kan doen op bescherming van artikel 3:86 BW Pro.
6.2. De inhoud van artikel 3:86 BW Pro is, voorzover hier relevant, als volgt:
"1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.
2. (...)
3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde (...)"
6.3. Blijkens de aangifte is de auto op 29 oktober 2004 gestolen. Klager heeft niet gesteld dat de auto is overgedragen door een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van auto's, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte. De door klager gestelde feiten zijn daarom ontoereikend om op grond daarvan te kunnen concluderen dat hij aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 BW Pro. De rechtbank heeft daarom in het door of vanwege klager aangevoerde niet behoeven te lezen dat klager aan alle voorwaarden voor bescherming op grond van artikel 3:86 BW Pro voldeed.
Daarom faalt ook het vierde middel.
7. De voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Hetgeen mij op gespannen voet lijkt te staan met het eerder ingenomen standpunt, dat de rechtbank eerst had moeten onderzoeken of het belang van de strafvordering handhaving van het beslag nog vergde.
2 Mr. R. Kuiper, Beklag tegen beslag, in NJB 2005, p. 206, rk.; HR NJ 2003, 459; HR 25 november 2003, LJN AL8421.
3 HR NJ 2003, 459; HR 2 november 2004, NJB 2004, blz. 2251, nr. 71.