ECLI:NL:PHR:2006:AX6514

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00003/06 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 4 SrArt. 22g SrArt. 467 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij bewezenverklaarde diefstal

Op 6 oktober 2004 werd een inbraak gepleegd in een geparkeerde auto te Blerick. De politie arresteerde een verdachte die zich met de naam van de aanvrager voordeed. De beheerder van het kerkhof herkende deze verdachte als de inbreker. Verdachte bekende de diefstal tijdens verhoor.

Later werd echter een mogelijke persoonsverwisseling ontdekt: de broer van de aanvrager, die zich van diens persoonsgegevens bediende, was mogelijk de werkelijke dader. Diverse documenten, waaronder werkbriefjes en salarisstroken, toonden dat de aanvrager op het moment van de inbraak op zijn werk was. Politiefoto's en verhoren bevestigden de gelijkenis en het gebruik van identiteitsgegevens door de broer.

De Hoge Raad concludeert dat de aanvrager waarschijnlijk onterecht is veroordeeld en dat de rechter bij kennis van deze omstandigheden tot vrijspraak zou zijn gekomen. Daarom verklaart de Hoge Raad het herzieningsverzoek gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor nieuwe behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 00003/06 H
Mr. Machielse
Zitting: 30 mei 2006
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Namens de bovengenoemde persoon - hierna genoemd: de aanvrager - heeft mr. F.M.J.P. Heckmans, advocaat te Kerkrade, bij schriftuur van 3 januari 2006 herziening gevraagd van een ten laste van de aanvrager gewezen onherroepelijk vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 18 oktober 2004, waarbij de aanvrager wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, veroordeeld is tot een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.[1]
2. De aanvrage berust op de stelling dat er, kort gezegd, sprake is van een persoonsverwisseling. [Betrokkene 2] zou zich bij zijn aanhouding van de personalia van de aanvrager, zijn broer, hebben bediend.
3. Uit de stukken van het dossier zoals dat aan de Hoge Raad is toegezonden blijkt van de volgende gang van zaken omtrent het bewezenverklaarde feit.
- Op 6 oktober 2004 rond 11.16 uur ontving de Regiopolitie Limburg Noord een melding van een te Blerick gepleegde inbraak in een personenauto.
- De inbraak is gepleegd in een op het kerkhof van Blerick geparkeerde auto. De beheerder van het kerkhof hoorde een doffe klap en zag dat een man met zijn bovenlichaam in een geparkeerde auto hing en iets in zijn handen had toen hij eruit kwam. Hij zag deze man instappen in een andere auto - aan de passagierszijde - die vervolgens van de parkeerplaats wegreed. De beheerder heeft de kenmerken van de wegrijdende auto, waaronder het kenteken, telefonisch aan de politie doorgegeven.
- Op de melding heeft de politie te Venlo om 11.50 uur een auto die voldeed aan het opgegeven signalement een stopbevel gegeven en beide inzittenden - waaronder de passagier die opgaf te zijn genaamd [aanvrager] - op verdenking van de inbraak aangehouden en inverzekeringgesteld.
- De beheerder heeft bij een spiegelconfrontatie de aangehouden man die zich [aanvrager] noemde, herkend als "de man die in de auto hing".
- Tijdens een verhoor van 7 oktober 2004 heeft verdachte [aanvrager] (geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats], wonende [a-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats]), tegenover de politie bekend het bewezenverklaarde feit te hebben gepleegd.
4.1. Bij de aanvrage zijn onder meer overgelegd:
- een kopie van een op 28 december 2005 gedateerd afschrift uit de Basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Kerkrade, inhoudende dat [betrokkene 2] op [geboortedatum] 1980 is geboren te [geboorteplaats] en vanaf 23 augustus 2000 woonachtig is geweest op het adres [b-straat 1], [0001 BB] te [woonplaats];
- een kopie van een op 24 november 2004 aan de Reclassering te Maastricht gerichte brief van [betrokkene 1], P&O-functionaris bij [A], inhoudende dat [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1981, wonende aan de [a-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats], op 6 oktober 2004 van 7.30 uur tot 16.00 uur op zijn werkplek te Kerkrade-West aanwezig is geweest;
- een verklaring omtrent inkomen en vermogen voorzien van de handtekening van aanvrager.
4.2. Ter aanvulling van de aanvrage, zijn door mr. F.M.J.P. Heckmans bij brief van 26 april 2006 onder meer overgelegd:
- een op 28 maart 2006 gedateerd gewaarmerkt afschrift uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Kerkrade, inhoudende dat [aanvrager] [geboortedatum] 1981 is geboren te [geboorteplaats] en vanaf 29 januari 2004 woonachtig is geweest op het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats];
- een door [betrokkene 1], Personeelsfunctionaris [A] aan mr. F.M.J.P. Heckmans gerichte brief van 28 maart 2006, inhoudende dat uit de werkkaart van [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1981, blijkt dat hij op 6 oktober 2004 gewerkt heeft;
- drie geschriften, zijnde "Salarisspecificaties" van september, oktober en november 2005 betreffende [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1981, [a-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats] die onder meer het gegeven vermelden dat betrokkene op 1 november 2001 in dienst is getreden (evenwel zonder vermelding van de werkgever).
5. Omtrent de aanvrage zijn nadere berichten ingewonnen die bij de stukken van het dossier zijn gevoegd en die in afschrift aan de raadsman zijn toegezonden. Door tussenkomst van het College van Procureurs-Generaal en mr. N.G. Zandee, wnd. Hoofdofficier van Justitie te Roermond, heeft de Regiopolitie Limburg Noord een mogelijke persoonsverwisseling onderzocht. Aan de Hoge Raad is toegezonden een door [verbalisant 1] op 26 april 2006 opgemaakt proces-verbaal met kenmerk PL2320/06-002226, voorzien van bijlagen. Dat houdt onder meer in:
- over het verhoor van [betrokkene 2]:
"Op donderdag 20 april 2006 omstreeks 13.20 uur werd door ons, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] de verdachte gehoord, die op gaf te zijn genaamd [betrokkene 2], roepnaam [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1980, terzake artikel 435 lid 4 Wetboek Pro van Strafrecht, in de penitentiaire inrichting Maashegge te Overloon.
Verdachte [betrokkene 2] was niet in het bezit van een geldig Nederlands identiteitsbewijs ten tijde van het verhoor. Derhalve konden zijn persoonsgegevens niet door mij geverifieerd worden.
[Betrokkene 2] verklaarde onder andere:
- dat hij nooit in Venlo of omgeving van Venlo werd aangehouden
- dat hij nooit de naam van zijn broer heeft gebruikt
- hij denkt dat iemand hem en zijn broer een oor wil aannaaien
- hij wel van zijn moeder had gehoord dat iemand zich voor zijn broer [aanvrager] had uitgegeven"
- als de bevindingen van de verbalisant:
"Uit verder onderzoek is gebleken dat de persoon welke door mij gehoord werd in het herkenningsdienst systeem vermeld stond met fotonummers PL2320:04:5066, PL2400:05:5247 en PL2100:02:167.
De persoon welke door mij verhoord werd stond afgebeeld op de foto voorzien van het nummer PL2320:04:5066. Deze foto's werden gemaakt op 6 oktober 2004. Bij deze foto stonden de persoonsgegevens vermeld: [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1981.
De persoon welke door mij verhoord werd stond eveneens afgebeeld op de foto voorzien van het nummer PL24:05:5247. Hierbij stonden de persoonsgegevens vermeld: [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1980.
De persoon welke door mij verhoord werd stond tevens afgebeeld, op de foto voorzien van het nummer PL2100:02:1567. Bij deze foto stond de persoonsgegevens vermeld: [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1980.
Dient opgemerkt te worden dat als bijzonder kenmerk, de door mij verhoorde persoon evenals alle drie de personen op de foto's op de linkerwang een moedervlek hebben."
Uit deze nadere berichten volgt dat de verbalisant een zich [betrokkene 2] noemende gedetineerde, die door haar omtrent de aanvrage werd gehoord[2], heeft geïdentificeerd als de persoon op een politiefoto die kennelijk na de inbraak ter gelegenheid van de inverzekeringstelling is gemaakt en die is geregistreerd onder de opgegeven personalia [aanvrager]. Op andere politiefoto's is de gehoorde persoon ook afgebeeld, maar dan onder vermelding van "[betrokkene 2] ".
Deze berichten steunen de in de aanvrage betrokken stelling dat met name uit de brieven van de werkgever van de aanvrager kan blijken dat er sprake is van een persoonsverwisseling omdat hij de bewuste dag op het tijdstip van de te Blerick gepleegde inbraak elders (te Kerkrade) aan het werk was. Tevens wijs ik er op dat de handtekening onder de akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding, die aan de aangehouden verdachte Hodiamont in persoon is uitgereikt, wel sterke gelijkenis vertoont met de handtekening onder het concept proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] van 20 april 2006, maar niet met handtekening van aanvrager onder de verklaring omtrent inkomen en vermogen, welke als bijlage bij de aanvraag is gevoegd.
6. De hiervoor genoemde omstandigheden wekken derhalve het ernstig vermoeden dat de aanvrager niet degene is die door de politie is aangehouden en dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien hij met deze omstandigheden rekening had kunnen houden.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onder nr. 1 genoemde vonnis zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde de zaak op de voet van art. 467 lid 1 Sv Pro opnieuw te behandelen en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
[1] De Officier van Justitie te Roermond heeft op 10 november 2005 ex art. 22g Sr de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bevolen. Van deze beslissing is de aanvrager op 24 november 2005 kennisgegeven. Uit de stukken van het aan de Hoge Raad toegezonden dossier blijkt niet dat de aanvrager bij de Rechtbank een bezwaarschrift in de zin van art. 22g lid 3 Sr heeft ingediend.
[2] Klaarblijkelijk heeft de politie de opdracht om inlichtingen omtrent de aanvrage in te winnen zo opgevat dat een onderzoek diende te worden ingesteld naar de verdenking dat [betrokkene 2] toentertijd aan de politie een valse naam, geboortedatum, geboorteplaats en adres waarop hij in basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, heeft opgegeven als bedoeld in art. 435 aanhef Pro en sub 4º Sr. [betrokkene 2] heeft overigens ontkend toen op verdenking van de inbraak te zijn aangehouden