ECLI:NL:PHR:2006:AX7774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over exhibitieplicht vaartijdenboek in arbeidsgeschil binnenscheepvaart
In deze arbeidsgeschilprocedure tussen een lichtmatroos en zijn werkgever staat centraal of de werknemer recht heeft op exhibitie van het vaartijdenboek om zijn stelling dat hij in systeemvaart heeft gewerkt te bewijzen.
De werknemer vorderde betaling van achterstallig salaris gebaseerd op de CAO voor de Binnenscheepvaart, waarin systeemvaart een specifieke diensttijdregeling kent met een toeslag. De werkgever betwistte dat de werknemer in systeemvaart werkte en verwees naar de schriftelijke arbeidsovereenkomst met een vijfdaagse werkweek.
De kantonrechter legde de bewijslast bij de werknemer en stond hem toe bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoren. Na afwijzing van de vordering in eerste aanleg en in hoger beroep, stelde het hof dat de werknemer onvoldoende had gesteld om te rechtvaardigen dat hij alleen met het vaartijdenboek bewijs kon leveren. Het hof oordeelde dat de werkgever niet verplicht was het vaartijdenboek te exhiberen, mede omdat het bewijs ook via getuigen kon worden verkregen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op de voorwaarden van art. 843a Rv, waaronder het vereiste van een rechtmatig belang en de waarborging van een behoorlijke rechtsbedeling. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de exhibitieplicht niet geldt indien de rechtsbedeling ook zonder het vaartijdenboek gewaarborgd is. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de werkgever niet gehouden is het vaartijdenboek te exhiberen.