ECLI:NL:PHR:2006:AX7957

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02792/05 A
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a Vuurwapenverordening 1930Art. 302 SrArt. 323 SrArt. 325 SrArt. 387 Sv NA
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsvoering recidive en strafoplegging in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld en overtreding van de Vuurwapenverordening, met een gevangenisstraf van twaalf jaar.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of de strafverzwarende omstandigheid van recidive voldoende was bewezen met een uittreksel uit het justitieel documentatieregister, waarbij werd betoogd dat dit slechts als 'ander geschrift' geldt en niet zelfstandig bewijs kan vormen zonder aanvullend bewijsmiddel.

De Hoge Raad oordeelde dat het uittreksel kwalificeert als een geschrift opgemaakt door een openbaar college, bestemd om bewijs te leveren, en daardoor zelfstandig bewijskracht bezit. Ook werd het verzoek tot herziening van de strafmaat verworpen omdat het neerkwam op een verzoek om clementie zonder nadere motivering.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen en de strafoplegging door het hof niet onbegrijpelijk is gelet op de omstandigheden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de twaalfjarige gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Griffienr. 02792/05 A
Mr. Wortel
Zitting:6 juni 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) waarbij verzoeker wegens (1) "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl tijdens het begaan van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem op grond van artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht en op grond van één der in artikel 11a, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 genoemde misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, strafbaar gesteld bij artikel 325 jo Pro 323 jo 49 jo 438, lid 1 en lid 2, van het Wetboek van Strafrecht" en (2) "medeplegen van overtreding van het bij artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Deze zaak hangt samen met de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder griffienummers 02790/05 A en 02791/05 A, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien de strafverhogende omstandigheid dat verzoeker binnen de voorafgaande periode van twee jaar reeds eerder is veroordeeld slechts blijkt uit een uittreksel ten name van verzoeker uit het justitieel documentatieregister. Dat is, zo wordt betoogd, een "ander geschrift" als bedoeld in art. 387, eerste lid, aanhef en onder e Sv NA, dat slechts tot bewijs kan dienen in samenhang met een ander bewijsmiddel in de zin van art. 387 Sv Pro NA, terwijl zo een ander bewijsmiddel ontbreekt.
4. Een uittreksel uit het justitieel documentatieregister is aan te merken als een geschrift, opgemaakt door een openbaar college of een ambtenaar, betreffende een onderwerp behorende tot de onder zijn beheer gestelde dienst en bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als bedoeld in art. 387, eerste lid, aanhef en onder c Sv NA. Een dergelijk geschrift heeft zelfstandig bewijskracht, zodat het middel faalt.
5. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd een (toereikend gemotiveerde) beslissing te geven op een verweer ten aanzien van de strafmaat.
6. Anders dan de steller van het middel kan ik in het desbetreffende betoog geen verzoek zien om met toepassing van art. 11, derde lid Sv NA wettelijke bepalingen omtrent een minimale strafduur terzijde te stellen. Het is naar mijn inzicht niet anders dan een breedvoerig verzoek om clementie, in welk verband is betoogd dat de eerste rechter op verkeerde gronden een langdurige gevangenisstraf heeft opgelegd.
Het passeren van een dergelijk verzoek behoeft geen nadere motivering, terwijl de door het Hof bepaalde straf niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden die het Hof met het oog op de straftoemeting heeft genoemd.
Het middel faalt derhalve.
7. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,