1 JOL 2002, 158. Voor het materiële geschil verwijs ik kortheidshalve naar het arrest van de Hoge Raad.
2 Eenzelfde vraag doet zich voor in de zaak met rolnummer C05/201HR.
3 Gelet op de thans in cassatie voorliggende vraag verwijs ik voor de feiten en het procesverloop tot en met het eerste cassatieberoep naar het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2002. Het A-dossier vangt aan met de (door de Hoge Raad vernietigde) uitspraak van het hof en bevat alleen de daaropvolgende processtukken.
4 NJF 2005, 312.
5 Het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot het instellen van tussentijds cassatieberoep als bedoeld in art. 401a lid 2 Rv. is ter griffie van het hof ingekomen op 6 juli 2005. Het bevindt zich alleen in het B-dossier.
6 De cassatiedagvaarding is op 9 september 2005 uitgebracht.
7 Daarbij put ik grotendeels uit mijn eerdere conclusies in de zaken C01/320HR, C04/048HR en C04/235HR.
8 Zie hierover: Van Boneval Faure, Het Nederlandsche burgerlijk procesrecht, 3e deel, 1901, p. 159 e.v.; Hugenholtz/ Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr. 162; Snijders/Ynzonides/Meijer, Burgerlijk procesrecht, 1997, nr. 193; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Sterk, Boek I, titel 3, afd. 16; M. Ynzonides, Enkele processuele aspecten van verval van instantie, WPNR 5986, p. 833-839; G. Snijders, Het verval van instantie, Adv. blad, 1996, p. 737-742; J.E. Bosch-Boesjes, Royement en andere mogelijkheden tot voortijdige beëindiging van de dagvaardingsprocedure naar huidig en komend recht, WPNR 6246, p. 845-852; J.E. Bosch-Boesjes, Voortijdige beëindiging van civiele procedures, 1998, p. 17-26.
9 HR 10 augustus 1983, NJ 1984, 182 m.nt. PAS.
10 Blijkens HR 19 januari 1917, NJ 1917, p. 227 kan ook in cassatie verval van instantie worden gevorderd.
11 In de procedure na cassatie en verwijzing zal de - hierna te bespreken - consequentie zijn dat het arrest van de Hoge Raad komt te vervallen evenals het door de Hoge Raad vernietigde arrest van het hof waarvan beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg in kracht van gewijsde gaat.
12 Snijders, t.a.p., p. 738.
13 Zie HR 19 januari 1917, NJ 1917, p. 227 (p. 229 l.kl. onder a). Sindsdien vaste rechtspraak: zie bijv. HR 21 april 1995, NJ 1995, 682 (rov. 3.4).
14 Van Boneval Faure, a.w., p. 160; Bosch-Boesjes, a.w., p. 17.
15 Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Sterk, Boek I, titel 3, afd. 16, aant. 2.
16 Zie over de nieuwe regeling: Hugenholtz/Heemskerk, 2002, nr. 109; Snijders/Ynzonides/Meijer, 2002, nr. 197; Van Maanen, T&C Rv, 2005, art. 251-253; Burgerlijke Rechtsvordering, Snijders, art. 251-253.
17 Zie de memorie van toelichting: Kamerstukken II, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 141.
18 Stb. 2001, 580. Zie over deze overgangsbepaling: Burgerlijke Rechtsvordering, Hammerstein, Boek I, aant. 5; Van Mierlo/Harreman, Tekst Boek 1 Rv nieuw, 2001, p. 17-18; H.A. Stein, Nieuw burgerlijk procesrecht, 2002, p. 147-148; H.W. Wiersma, Enkele kwesties van procesrechtelijk overgangsrecht in kantonzaken, PP 2002, p. 111-114; Beijer, T&C Rv, 2005, Boek 1, Titel 1, Inl. opm., aant. 4.
19 Kamerstukken II, 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 196.
20 Burgerlijke Rechtsvordering, Hammerstein, Boek I, aant. 5.
21 Zie zijn conclusie vóór HR 24 juni 2005, JOL 2005, 398 onder 11.
22 W. Snijders, Overgangsrecht voor lopende procedures, in: Een goede procesorde, Opstellen aangeboden aan mr. W.L. Haardt, Kluwer 1983, p. 113-124.
23 Zie art. VII lid 3.
24 Aldus Stein, a.w., p. 148.
25 Van Maanen, T&C Rv, 2005, art. 251, aant. 6.
26 Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Sterk, Boek I, titel 3, afd. 16, aant. 3.
27 Burgerlijke Rechtsvordering, Hammerstein, Boek I, aant. 5, onder 3.
28 Burgerlijke Rechtsvordering, Von Schmidt auf Altenstadt, art. 148, aant. 3.
29 a.w., p. 148.
30 Rechtsvinding overgangsrecht privaatrecht/preadvies, NJV 1985, Brood-NODI-gheden bij de toepassing van de overgangswet Boeken 3, 5 en 6 NBW, p. 205-206.
31 Zie Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 59; B. Wessels, NBW-overgangsrecht en het procesrecht, Adv. blad 1990, p. 568. Zie voorts B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss., 1992, p. 214 die van mening is dat deze overgangsregeling ook bij andere wetswijzigingen een nuttige functie kan vervullen in geval de nieuwe wetsbepaling in beginsel voor toepassing in aanmerking komt en er geen (afzonderlijke) overgangsregeling is getroffen voor het geval het geding hangt in de cassatie-instantie of in de instantie na verwijzing.
32 Zie hierover: Winters, a.w.; P.A. Wackie Eysten, Verwijzing na cassatie, Vademecum Burgerlijk Procesrecht, hfdst. 81; B. Winters, Verwijzing na cassatie in civiele zaken, Adv.blad 2000, p. 690-694; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 280; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, Ars Aequi Cahiers Privaatrecht, deel 13, 2003, hfdst. 9; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 199-201; Winters, T&C Rv, 2005, art. 424; Burgerlijke Rechtsvordering, Korthals Altes, art. 424.
33 Deze rechtsoverweging heeft de HR herhaald in zijn arrest van 21 oktober 1994, NJ 1995, 398 Zie ook Hof Arnhem 12 november 1930, NJ 1931, p. 485.
34 En al helemaal niet een vierde instantie. De procedure is ook niet het gevolg van het gebruikmaken van een rechtsmiddel, waardoor het zich eveneens onderscheidt van de andere (beroeps)instanties.
35 Winters, a.w., p. 29 en 225-226 en t.a.p., p. 690. Bosch-Boesjes, a.w., p. 19.
36 Zie omtrent het begrip "aanhangigheid" o.m. HR 13 juni 1947, NJ 1947, 385; HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 m.nt. HER; HR 16 januari 1998, NJ 1998, 301; HR 24 maart 2000, NJ 2000, 601 m.nt. HJS.
37 Hof Arnhem 12 november 1930, NJ 1931, p. 485. Zie ook Hof Arnhem 15 oktober 1996, NJ 1997, 297.
38 Hof Den Haag 11 maart 2004, NJF 2004, 389.
39 Vgl. Ynzonides, t.a.p., p. 838; Snijders, t.a.p., 737; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Sterk, Boek I, titel 3, afd. 16, aant. 2 en art. 279, aant. 2.
40 HR 10 augustus 1983, NJ 1984, 182 m.nt. PAS.
41 Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Leijten vóór HR 20 april 1990, NJ 1991, 37 onder 30; Ynzonides, t.a.p., p. 835, tweede kolom; HR 19 januari 1996, NJ 1996, 336.
42 Zie Asser-Vranken, 1995, nr. 166 en mijn conclusie onder 2.12 vóór HR 11 maart 2005, C04/048HR, JOL 2005, 153 (81 RO) en ook A.M.J. van Buchem-Spapens, Anticipatie, Monografieën Nieuw BW, 1986, nr. 21-23.