ECLI:NL:PHR:2006:AX9176
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijk ambtenaar wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving
Een officier van justitie te Amsterdam werd verdacht van het plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de uitoefening van zijn functie. Na aangifte en een beslissing van de Hoofdofficier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan, werd door de benadeelde partij beklag ingediend bij het hof. Het hof wees het beklag toe en beval het Openbaar Ministerie om een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad voor de aanwijzing van een ander gerecht.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd door aan te nemen dat de officier van justitie redelijkerwijs als verdachte kan worden aangemerkt, waardoor het OM verplicht is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen. De Hoge Raad benadrukt dat het hof slechts een bevel kan geven als er een aanvankelijk oordeel is dat sprake is van een verdachte.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de beoordeling van de opportuniteit van vervolging door het aangewezen gerecht moet plaatsvinden. De Hoge Raad wijst de Rechtbank te Den Haag aan als het gerecht waar, indien het OM dat nodig acht, de vervolging en berechting zullen plaatsvinden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de Rechtbank te Den Haag aan als gerecht voor vervolging en berechting van de officier van justitie.