ECLI:NL:PHR:2006:AX9176

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01085/06 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 510 SvArt. 13 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijk ambtenaar wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving

Een officier van justitie te Amsterdam werd verdacht van het plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de uitoefening van zijn functie. Na aangifte en een beslissing van de Hoofdofficier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan, werd door de benadeelde partij beklag ingediend bij het hof. Het hof wees het beklag toe en beval het Openbaar Ministerie om een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad voor de aanwijzing van een ander gerecht.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd door aan te nemen dat de officier van justitie redelijkerwijs als verdachte kan worden aangemerkt, waardoor het OM verplicht is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen. De Hoge Raad benadrukt dat het hof slechts een bevel kan geven als er een aanvankelijk oordeel is dat sprake is van een verdachte.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de beoordeling van de opportuniteit van vervolging door het aangewezen gerecht moet plaatsvinden. De Hoge Raad wijst de Rechtbank te Den Haag aan als het gerecht waar, indien het OM dat nodig acht, de vervolging en berechting zullen plaatsvinden.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de Rechtbank te Den Haag aan als gerecht voor vervolging en berechting van de officier van justitie.

Conclusie

Nr. 01085/06 B
Mr. Fokkens
Parket, 20 juni 2006
Conclusie inzake:
[de Officier van Justitie]
1. Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam met het verzoek op de voet van art. 510 Sv Pro een ander gerecht aan te wijzen voor de (eventuele) vervolging en berechting van [de Officier van Justitie], Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam.
2. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt onder meer dat: - tegen betrokkene op 22 november 2004 namens [A] aangifte is gedaan terzake van wederrechtelijke vrijheidsberoving, welk feit door betrokkene zou zijn gepleegd, handelend in het kader van de uitoefening van zijn functie als officier van justitie te Amsterdam, op 15 november 2004 tussen 12.08 en 16.30 uur; - de Hoofdofficier van Justitie bij brief van 24 december 2004 aan de advocaat van [A] te kennen heeft gegeven niet tot vervolging over te gaan en geen verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te zullen dienen, omdat [A] niet wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd zou zijn geweest en er geen grond is voor vervolging en berechting;
- namens [A] op 10 januari 2005 beklag ex art. 13 Sv Pro is gedaan bij het Gerechtshof te Amsterdam;
- het Hof het beklag op 22 februari 2006 heeft toegewezen en het Openbaar Ministerie heeft bevolen om een verzoekschrift als bedoeld in art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad.
3. In het verzoekschrift geeft de Hoofdofficier aan dat hij aan het bevel van het Hof voldoet, maar dat hij van oordeel blijft dat [de Officier van Justitie] zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en dat hij hem nog steeds niet als verdachte van enig strafbaar feit beschouwt.
4. Het Hof heeft daarover anders geoordeeld. Daarbij heeft het Hof overwogen:
"Bij de beoordeling van de klacht moet verder uitgangspunt zijn dat het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het Openbaar Ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak. Voor een uitzondering is slechts plaats als zou moeten worden vastgesteld dat [de Officier van Justitie] redelijkerwijs niet als verdachte van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving kan worden aangemerkt (vgl. HR 11 oktober 2005, LJN:AU4091)".
5. Daarmee heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. Zijn oordeel dat de uitzondering zich niet voordoet en dat naar zijn aanvankelijk oordeel [de Officier van Justitie] als verdachte kan worden aangemerkt, geeft gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik merk dat op, niet omdat de beschikking van het Hof in cassatie moet worden beoordeeld als was daartegen beroep ingesteld - dat is immers niet mogelijk -, maar omdat het relevant is of het Hof is uitgegaan van de situatie dat er naar zijn aanvankelijk oordeel sprake is van een verdenking van een strafbaar feit begaan door een rechterlijk ambtenaar. Met die vaststelling is namelijk de noodzaak om aanwijzing van een ander gerecht te verzoeken in beginsel gegeven en is er voor de Hoge Raad ook geen ruimte om het na beklag door de Hoofdofficier ingediende verzoek niet te honoreren.
6. In de recente rechtspraak van de Hoge Raad over art. 510 Sv Pro is bepaald dat het openbaar ministerie ook bevoegd is tot het doen van een verzoek ex art. 510 Sv Pro indien het zich bijvoorbeeld nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt (HR 11 oktober 2005, LJN: AU4091, AU4093 en AU4097 en HR 6 december 2005, LJN: AU8509). Die bevoegdheid heeft het Hof m.i. niet. Het komt mij voor dat het Hof na beklag slechts een bevel tot het indienen van een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro kan geven, indien het openbaar ministerie daartoe naar zijn oordeel gehouden is omdat er naar het aanvankelijk oordeel van het Hof sprake is van een verdachte. Indien de vraag of er naar aanvankelijk oordeel sprake is van een verdachte (nog) niet is beantwoord en er dus ook nog geen verplichting bestaat voor het openbaar ministerie om een verzoek ex art. 510 Sv Pro te doen, kan het Hof een bevel daartoe niet geven.
7. Een tweede punt van kritiek van de Hoofdofficier betreft het oordeel van het Hof dat de opportuniteit van een eventuele vervolging door een ander parket zal moeten worden beoordeeld. Anders dan de Hoofdofficier lees ik daarin niet dat het Hof van oordeel is dat opportuniteit van een eventuele vervolging nimmer kan worden meegewogen in een procedure ex art. 13 Sv Pro, maar dat in dit geval, in het bijzonder omdat de aangifte hier betrekking heeft op de uitoefening van de functie van officier van justitie, opportuniteit van een eventuele vervolging zal moeten worden beoordeeld door het openbaar ministerie bij het aangewezen gerecht.
8. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek ten aanzien van betrokkene vatbaar is voor toewijzing.
9. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere Rechtbank - waarbij ik de Rechtbank te Den Haag in overweging geef - zal aanwijzen als het gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen Rechtbank zulks nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaats hebben.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,