1 Deze zaak hangt samen met de zaken onder nrs. 01565/05 ([medeverdachte 1]) en 01566/05 ([medeverdachte 2]), waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Bewijsmiddel 1.
3 Bewijsmiddel 2.
4 Bewijsmiddel 3.
5 Bewijsmiddel 4.
6 Bewijsmiddel 5.
7 Bewijsmiddel 7.
8 Het zich zo gevaarlijk gedragen dat er een reële kans ontstaat dat een ander door die gedraging letsel zal oplopen levert in beginsel een schending van de objectieve zorgvuldigheidsnorm op, zie hieromtrent NLR, Inleiding, Culpa aant. 10.
9 Hetgeen wijst in de richting van bewuste schuld. Zie De Hullu, Materieel strafrecht, 2e druk, p. 257.
10 Ik betwijfel of verdachte wel in staat was de door hem ingezette of in ieder geval bevorderde gang van zaken te beïnvloeden, ook als [het slachtoffer] niet had getracht zich uit de voeten te maken. Ik denk hierbij aan de kennelijke staat waarin de tafelzooiers zich bevonden. Indien verdachte wél in staat zou zijn geweest voor de tussenkomst van [het slachtoffer] een halt toe te roepen aan het optreden van de anderen zou dat zijn verantwoordelijkheid alleen maar groter maken.
11 HR NJ 1963, 521.
12 Zie De Hullu, Materieel Strafrecht, 2e druk, p. 262 en Keulen en Otte, Opzet en schuld, 52-53.
13 Zie bijv. de noot van Van Veen onder HR NJ 1989, 719.
14 HR NJ 1996, 403; HR 28 maart 2003, LJN AF2679.
15 Zie in dit kader de uitspraak van het Hof 's-Gravenhage van 29 mei 2005, LJN AX5782. In die zaak heeft het Hof een Sparta-speler wegens een op een Go Ahead-speler gemaakte grove overtreding, die voor deze - gelet op het daarbij opgelopen letsel - het einde van zijn voetbalcarrière betekende, veroordeeld wegens zware mishandeling.
16 Bij de in de jurisprudentie aangehaalde sporten handelt het zich overigens telkens om officieel erkende, in groepsverband georganiseerde sportieve activiteiten met een breed maatschappelijk draagvlak. Het is maar de vraag of het "leestafel-zooien" van Minerva zich daartoe mag rekenen. Zie voor de Duitse doctrine op dit gebied Schönke/Schröder, Strafgesetzbuch, 27 Auflage, aant. 220 op § 15, waarin Cramer en Sternberg-Lieben onder meer stellen dat "bei Verletzungen, die ausserhalb anerkannter, verbandmässig organisierten Sportarten beigebracht werden - zB ultimate fighting (...) oder Gotcha (...) - Fahrlässigkeitsstrafbarkeit nur nach den umstrittenen Regeln einer individuell erklärten Risico-Einwilligung (...) (kann) entfallen.
17 Zo heeft [betrokkene 3] bijvoorbeeld op 10 juni 2002 bij de rechter-commissaris verklaard dat voorzover zij wist de tafel nog nooit buiten het gebouw is geweest en zij het enige bestuur zijn die in verband met het tafelmos is afgetreden.
18 Bij sporten en spelen waaraan een groot risico voor lijf en leden van de beoefenaars is verbonden zal een uitdrukkelijke, individuele toestemming wel het minste zijn wat kan worden gevergd. Zie voetnoot 19.
19 Verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2004 onder meer verklaard dat de tafel normaalgesproken altijd naar beneden wordt gedragen, maar men voor de lustrumdeuren stopt met zooien waarna de tafel weer terug naar boven gaat.
20 Een andere vraag is of dit soort "interne" conflicten, waarbij personen elkaar kennen en - zo mag ik aannemen - op zichzelf niet vijandig tegenover elkaar staan, niet bij uitstek gevallen zijn die bij voorkeur middels de civielrechtelijke weg behoren te worden opgelost. Kennelijk heeft de (te) lange duur van de erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid door het bewuste Minerva-huis er in casu toe geleid dat aangifte is gedaan. Zie nader de verklaring van de vader van het slachtoffer, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 26 juni 2002. De keuze om tot vervolging over te gaan was vanaf dat moment, gelet op het opportuniteitsbeginsel, in handen van de zaaksofficier. Overigens kan uit onder meer een krantenartikel van de Universiteitskrant Mare uit Leiden van 20 maart 2003 worden afgeleid dat kort voor de zitting in eerste aanleg alsnog een schadevergoeding van € 13.500,-- is overeengekomen.
21 HR NJ 2002, 340.
22 Zie recent het arrest betreffende (een bijlage bij) het requisitoir van de Officier van Justitie: HR 30 mei 2006, LJN AW0161.
23 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2004 volgt dat de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [medeverdachte 2] gelijktijdig, doch niet gevoegd zijn behandeld. Uit HR NJ 2004, 165 volgt dat de in de bewijsoverweging genoemde schriftelijke bewijsstukken ter zitting dienen te zijn voorgelezen of daarvan de korte inhoud moet zijn medegedeeld.
24 Zie met name p. 9-11 van de op de zitting van 7 oktober 2004 overgelegde pleitnota.
25 Een ervaringsregel hoeft overigens niet bij iedereen bekend te zijn om als een feit van algemene bekendheid te kunnen worden aangemerkt. Zie hieromtrent Corstens, Het Nederlands strafproces, 5e druk, p. 636 en de aldaar genoemde jurisprudentie.