ECLI:NL:PHR:2006:AX9220

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02461/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering duurzaam samenwerkingsverband drugshandel

De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van drugshandel en deelname aan een organisatie met het oogmerk het plegen van misdrijven, waaronder het handelen in cocaïne en XTC-pillen. Het Hof stelde vast dat verdachte deel uitmaakte van een groep die zich bezighield met cocaïnehandel en dat er een andere groep bestond die zich bezighield met XTC-handel, met onderlinge contacten en intenties tot ruilhandel.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de groepen met elkaar verbonden waren binnen het duurzame samenwerkingsverband. De bewezenverklaring dat de organisatie mede bestond uit bepaalde personen is niet ondersteund door bewijsmiddelen. Ook ontbreekt een duidelijke samenhang tussen de verschillende groepen en personen die genoemd worden.

Daarom is het oordeel van het Hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug aan het Hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling op basis van het bestaande dossier.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het duurzame samenwerkingsverband en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 02461/05
Mr. Machielse
Zitting: 20 juni 2006
Conclusie inzake:
[verdachte] (1)
1. Verdachte is op 19 november 2004 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, 2. medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artiek 10 van de Opiumwet , voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en door zich of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en 3. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Voorts heeft het hof verklaard dat verpakkingsmateriaal, een pistool en een patroonhouder met patronen worden onttrokken aan het verkeer.
2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het onder 3. bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daaruit kan immers niet blijken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met de in de bewezenverklaring genoemde personen, welk verband het oog had op de handel in cocaïne.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"feit 3.
Hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 tot en met 22 november 2000 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Uitdam en/of Scheveningen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, ter weten hij, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, ter weten
- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden, van een middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en
- het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden van middelen (telkens) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."
5. Naar mijn mening is het middel gegrond. Ook na herhaalde lezing van de bewijsmiddelen is mij niet duidelijk hoe volgens het hof het verband is tussen enerzijds de in de zojuist aangehaalde bewezenverklaring genoemde groep waarover [medeverdachte 3] in de bewijsmiddelen 33, 34, 35, 36 en 37 verklaart en die bestond uit [medeverdachte 12], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zelf, en anderzijds de groep waarvan sprake is in de bewijsmiddelen en waarvan [medeverdachte 5], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 4], [medeverdachte 9] en verdachte deel uitmaken. Beide groepen hebben contacten met [medeverdachte 6]; verdachte kent [medeverdachte 1] - die heeft hij wel eens ontmoet - via [medeverdachte 5] en hij kent [medeverdachte 2] als de buurman van [medeverdachte 5] op de camping in Uitdam (bewijsmiddelen 1 en 8), maar in welk verband deze personen elkaar kennen blijft in het duister.(2)
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 3 betreft en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaken nummers 02460/05 ([medeverdachte 1]) en 02462/05 ([medeverdachte 2]), waarin ik ook vandaag concludeer.
2 De bewijsconstructie van de rechtbank bevat daarnaast niet meer dan een suggestie van zo'n verband; in bewijsmiddel 17. duidt verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan als de "Elcato" resp. "de ouwe" waarover zij het "hebben", maar ontbreekt er een relaas van een afgeluisterd gesprek waarin zij die bijnamen daadwerkelijk gebruiken.