ECLI:NL:PHR:2006:AX9388

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/014HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 1286 BW (oud)Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid advocaat voor niet aanzeggen wettelijke rente in sociale verzekeringszaak

Eiseres vordert schadevergoeding van haar voormalige advocaat wegens het niet aanzeggen van wettelijke rente in een procedure over een AAW/WAO-uitkering. De Centrale Raad van Beroep vernietigde de oorspronkelijke beslissing en de uitkering werd alsnog toegekend op 15 december 1990. Eiseres stelt dat zij pas na een arrest van de Hoge Raad in 1992 kon weten dat zij rente miste en dat zij niet eerder bekend kon zijn met de aansprakelijke advocaat.

De rechtbank Maastricht oordeelde dat de verjaring op 15 december 1995 was voltooid, omdat eiseres op de datum van uitbetaling van de uitkering bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, ongeacht haar juridische kennis over de aanzegging van rente. Het hof 's-Hertogenbosch bevestigde dit oordeel en stelde dat de advocaat geen beroepsfout had gemaakt.

De Hoge Raad laat het oordeel van de rechtbank over de verjaring en het ontbreken van aansprakelijkheid van de advocaat in stand en wijst het beroep van eiseres af. Hierdoor wordt de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding wegens het niet aanzeggen van wettelijke rente wordt afgewezen.

Conclusie

Rolnr C05/014HR
mr J. Spier
Zitting 14 april 2006
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. Inzet van de procedure, feiten en procesverloop
1.1 [Eiseres] vordert schadevergoeding van [verweerder] ten belope van fl. 71.257,54. [Verweerder] heeft voor haar - met succes - een procedure behandeld in verband met een AAW/WAO-uitkering. Zij verwijt [verweerder] geen wettelijke rente te hebben aangezegd.
1.2 In zijn uitspraak van 9 mei 1990 heeft de Centrale Raad van Beroep de bestreden beslissing, voor zover deze de WAO betrof, vernietigd. Vervolgens is [eiseres] alsnog een AAW/WAO-uitkering verstrekt op 15 december 1990.(1)
1.3 [Verweerder] heeft zich (nog meer subsidiair) op verjaring beroepen.
1.4 In haar vonnis van 6 september 2001 heeft de Rechtbank Maastricht de vordering afgewezen. Zij heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen:
"De rechtbank is van oordeel dat van die subjectieve verjaring sprake is op 15 december 1990. Immers op die dag heeft de bedrijfsvereniging de achteraf ten onrechte niet uitgekeerde uitkering ingevolge de AAW en de WAO uitbetaald en bleef betaling van de wettelijke rente achterwege. Vanaf die dag wist [eiseres] derhalve dat geen rente werd vergoed en was zij derhalve bekend met de schade. [Eiseres] was op die dag eveneens bekend met de persoon van degene die de schade had veroorzaakt, zijnde [verweerder]. (...) Dat [eiseres] er wellicht op dat moment niet van op de hoogte was dat voor betaling van de wettelijke rente op grond van artikel 1286 BW Pro (oud) aanzegging was vereist doet aan het vorenstaande niet af. Noch uit de tekst van artikel 3:310, lid 1, BW noch ook uit de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis valt op te maken dat het begrip "bekend" niet feitelijk maar juridisch dient te worden ingevuld. De verjaring was derhalve voltooid op 15 december 1995. Nu [verweerder] eerst bij brief van 22 november 1996 ter zake is aangesproken slaagt de hier besproken weer van verjaring" (rov. 3.4).
1.5 [Eiseres] is in hoger beroep gegaan. Haar grief is gericht tegen het honoreren van het beroep op verjaring. Volgens de toelichting op de grief kon zij eerst na de publicatie van het arrest HR 12 juni 1992 (NJ 1993, 113) weten dat ze rente miste. Voordien kon zij evenmin bekend zijn met de aansprakelijke persoon.
1.6 In zijn arrest van 29 april 2003 heeft het Hof 's-Hertogenbosch het bestreden vonnis bekrachtigd "met verbetering van gronden". Het Hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de vordering niet is verjaard (rov. 4.6).(2) Vervolgens wordt de vordering ten gronde besproken. Naar 's Hofs oordeel heeft [verweerder] geen beroepsfout gemaakt (rov. 4.8).
1.7 [Eiseres] heeft zich tijdig van beroep in cassatie voorzien. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten.
2. Afdoening van het beroep
2.1 Het Hof heeft, als gezegd, in het midden gelaten of de vordering al dan niet is verjaard.(3)
2.2 Het oordeel van de Rechtbank is juist. De daartegen gerichte grief is dus ongegrond en kon door het Hof slechts worden verworpen. Ik moge verwijzen naar het arrest [eiseres]/[verweerder].(4) De in dat arrest beslechte zaak is in alle relevante opzichten identiek aan de onderhavige.(5)
2.3 [Eiseres] mist aldus belang bij haar klacht. Daarop behoeft dan ook niet te worden ingegaan.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Rov. 2.3/2.4 van het vonnis van de Rechtbank Maastricht van 6 september 2001.
2 In rov. 4.9 laat het Hof deze kwestie in het midden.
3 Daarom is niet goed duidelijk waarom het bestreden vonnis "met verbetering van gronden" wordt bekrachtigd.
4 HR 26 november 2004, RvdW 2004, 134.
5 In de s.t., genomen bijna een jaar na genoemd arrest, wordt over deze kwestie met geen woord gerept.