2.6.2 Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
"5.4. [Eiseres] heeft de juistheid van de inhoud van de facturen en van de daarop vermelde werkzaamheden niet betwist - bij antwoord in eerste aanleg heeft zij een betwisting slechts in vage bewoordingen gedaan en volstrekt niet onderbouwd -. Hetzelfde geldt voor de juistheid van de uit die facturen voortvloeiende hoofdsom ad f 3.467,60.
5.5. Op grond van de stelling dat [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de deugdelijke nakoming van zijn verplichtingen tot het verrichten van onderhoudswerkzaamheden, heeft [eiseres] bij brief van 29 juni 1999 de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht ingeroepen. Op grond daarvan betwist zij de verschuldigdheid van de hoofdsom en de verschuldigdheid van de gevorderde rente en kosten. De rechtbank constateert, dat zij de hoogte van de concrete gevorderde rente en kosten op zich niet heeft betwist.
5.6. [Verweerder] stelt, dat hij op 23 oktober 1998 de overeengekomen werkzaamheden (en leveranties) heeft voltooid, en op die dag alles heeft gecontroleerd en in (lees:) orde heeft bevonden.
5.7. Uit de factoren blijkt, dat hij daarna nog op 28 oktober 1998 ten huize van [eiseres] het motorgedeelte beeft nagekeken in verband met het aanlopen van de zuiger in de eerste cylinder en aan de zuigveren nog wat werkzaamheden heeft verricht. Voor deze werkzaantheden op die dag heeft hij niets in rekening gebracht.
5.8. 0p 4 november 1998 is [verweerder] weer ten huize van [eiseres] geweest en heeft ook de, in facturen, vermelde schade aan het aggregaat geconstateerd.
5.9. Tussen partijen staat als erkend danwel niet of onvoldoende weersproken vast, dat het aggregaat na 23 oktober 1998 nog circa 1 uur en 40 minuten heeft gedraaid. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt of grieven aangevoerd tegen de constatering van de door de kantonrechter benoemde deskundige, dat tijdens laatstbedoelde draaiperiode de (lees:) rubber/kunststofdelen van de flexibele koppeling stuk zijn gegaan en dat als gevolg daarvan de oliesmeerleiding stuk is getrild, waardoor het hoofdlager geen smering heeft gekregen en is stukgelopen. Onweersproken door partijen heeft de deskundige de kosten van het herstel hiervan bepaald op f 3.000,--, te vermeerderen met 17,5% BTW ad f 525,--, derhalve in totaal op f 3.525,--.
5.10. Blijkens de toelichting op de grieven heeft [verweerder] bezwaren tegen de navolgende zinsnede uit het rapport van de deskundige:
"Bij de montage circa 23 oktober 1998 heeft de monteur van [verweerder] de rubber/kunstofdelen van de flexibele koppeling niet gecontroleerd want dan was hij tot de conclusie gekomen dat deze delen versleten/verdroogd waren.... Als tijdens de montage van de flexibele koppeling het verdrogen was geconstateerd had deze reparatie verkomen kunnen worden....Deze kosten (s.c. f 3.525,--) komen mijns inziens voor rekening van de firma [A]."
5.11. De bezwaren van [verweerder] gelden niet de constatering van de onvolkomenheden - deze staan, blijkens hetgeen hiervoor sub 5.9. is overwogen, tussen partijen vast - doch de opvatting van de deskundige, dat een en ander voor rekening van [verweerder] dient te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is tussen partijen niet in geschil, dat de schade van 4 november 1998 is ontstaan door de koppeling, dat [verweerder] tevoren aan die koppeling had gewerkt en dat na die werkzaamheden de koppeling kapot is gegaan. Ook staat, naar het oordeel van de rechtbank, tussen partijen vast, dat [verweerder] de door [eiseres] in de vorm van eurocheques betaalbaar gestelde f 2.400,-- aan haar heeft terug gegeven, volgens [eiseres], omdat [verweerder] aansprakelijkheid erkende. Voor het door hem teruggeven aan [eiseres] van die cheques heeft [verweerder] ten processe wisselende en elkaar somtijds tegensprekende verkiaringen afgegeven. Opmerking verdient, dat een van die verklaringen van [verweerder] gezien de aard van de betreffende cheques niet juist kan zijn. Het betreft de verklaring, dat hij de cheques desgevraagd teruggaf omdat [eiseres] mededeelde dat er op dat moment volstrekt geen saldo op haar rekening stond en dat in die zin de cheques niet gedekt waren. Het saldo van de rekening had in die tijd immers volstrekt geen verband met al dan met gedekt zijn van de eurocheques, gezien de daaraan verbonden garantie. Dit alles mede gelet op de stellingen van [verweerder] in eerste aanleg, dat de koppeling verweerd was en de visie van de deskundige, dat [verweerder] het verweerd zijn van de koppeling had moeten opmerken, brengt de rechtbank tot het oordeel, dat [eiseres] vooralsnog is geslaagd in het door haar te leveren bewijs van het toerekenbaar tekort geschoten zijn door [verweerder], te weten dat de koppeling kapot is gegaan doordat [verweerder] niet heeft onderkend, dat de koppeling verweerd was.
5.12. Temeer omdat tussen partijen vaststaat, dat zo kort na de beweerdelijk correcte aflevering op 23 oktober 1998 van het aggregaat, te weten op 4 november, de vaststaande gebreken zijn geconstateerd, brengt een redelijke bewijslastverdeling met zich, dat [verweerder]" het onder 2.6.1 genoemde tegenbewijs moet leveren.